Archief ‘natuur’ categorie

Oprukkende bomen

31 maart 2017

Leuk die lente en al dat groen. En al die vrolijke vogelzang om je heen. Die witte wolken op dat hemelsblauw. Die zachte streling van wind op je wangen. Je voelt je meteen jonger, terwijl je toch net een grijze winter ouder geworden bent. De hele natuur oogt vrolijk en vriendelijk. Maar schijn bedriegt.

De Sint-Vituskerk met in de voorgevel het Christusbeeld en geheel link mijn favoriete boom.

Let op de bomen. Dat zijn wrede niets ontziende beulen. Vertrouw ze nooit en hou ze oplettend in de gaten. Dat is evenwel onmogelijk want ze doen hun kwalijke werk zo geniepig langzaam dat het blote oog hun beulswerk nauwelijks kan waarnemen. Hoe intens je ook kijkt, je ziet niets veranderen aan een boom. Maar kijk je een dag later,  dan – verrek! – is er een knop ontstaan en een centimeter tak bijgekomen. Terugduwen gaat niet. De kracht van een boom is gigantisch en laat zich niet stoppen. Bovengronds kun je het nog een beetje in de gaten houden, ondergronds gaan bomen maar hun gang. Onbespied, ongetemd en ongehoord sluipen hun wortels door de aardse duisternis, boren zich door de gresbuizen van het riool, drukken de straattegels omhoog, maken verraderlijke verkeersdrempels op ongewenste plekken. (meer…)

Good heavens!

31 augustus 2016
Lekker in het zonnetje.

Lekker in het zonnetje.

Zo, ik zit. Op een goddelijk plekje. Onder een goddelijk zonnetje. Op een heerlijke stoel, die zomaar voor me klaar stond. Ik schuif mijn Panama over mijn ogen en mijn gedachten wieken omhoog als leeuweriken. Samen kijken we omlaag en warempel: daar zit ik, duidelijk herkenbaar aan die witte hoed,  voor de deur van een cottage en omringt door een bonte parade van gele, rode en oranje bloemen. De deur is kaal en vergaan. De onderkant is opgevreten door de tijd, torren, knagers, beestjes. Zo’n deur waar de Fransen patent op lijken te hebben. Maar dit is niet de deur van tandeloze armoezaaiers. Dit is Kent, Engeland en de deur, als hij nog te bewegen valt, geeft toegang tot de South Cottage van kasteel Sissinghurst, wereldberoemd om zijn bloementuinen.

Deur van South Cottage

De verveloze deur van South Cottage

Ik heb niet zoveel met bloemen. Ik vind ze wel mooi, maar hun namen en hun families ken ik niet. Net zo min als ze mijn naam en mijn familie kennen. De tuinen zijn prachtig, maar ik maak geen buigingen om de naambordjes van al dat bloeiende schoon te lezen. Een bloem is een bloem is een bloem, nietwaar? (meer…)

Wij weten dat we hem hebben gezien!

24 februari 2016

Het toetsenbord kijkt me koel aan. Weet ik de code nog? Mijn vingers prikken de vier cijfers. De massieve deur springt traag los. We mogen erin, Agnes en ik. Nu op weg naar het Bosviooltje, gang links, gang rechts, weer een deur. Bedeesd druk ik op het knopje van de intercom.
Ja-a, vraagt de speaker. Ik antwoord dat we voor de heer Prins komen.
O-o, reageert de speaker overrompeld. En dan: ik kom er aan!
Een opgewonden verzorgster opent de deur en kijkt ons onrustig aan.
Wat vervelend, verzucht ze. Komt u van ver? Meneer Prins ligt namelijk nog in bed, begrijpt u?
Schrik geeft een vuistslag op mijn hart. Nee, natuurlijk begrijp ik het niet. Er is toch niets ernstigs aan de hand met Henk? Een hartaanval, een beroerte, een wanhoopsdaad? Waren we maar vorige week gekomen. Dat had ook gekund. En nu zijn we misschien te laat. Shit, beste Hendrik, wat is er met je?

Drukte in Oudeschild, de toenmalige toegangspoort tot Texel.

Drukte in Oudeschild, de toenmalige toegangspoort tot Texel.

(meer…)

Honeymoon

30 september 2015
De volle maan tovert met het licht.

De volle maan tovert met het licht.

Het is middernacht. Ik zwerf ik door de straten van mijn woonwijk. Om me heen cirkelt een klein wit spookje, op zoek naar interessante geurtjes.  De straten zijn stil en baden in het licht van de lantaarns en van de volle maan. Je zou er een boek kunnen lezen, maar dat heb ik net gedaan en op mijn nachtkastje wacht Kieft, de bestseller van Michel van Egmond. Ik heb geen haast en het hondje al helemaal niet. De nacht is mooi en geurig.

Althans voor een hond. Alle auto’s liggen braaf voor de huizen van hun baasjes te wachten op morgen als zij weer uitgelaten worden om hun CO2 uit te stoten. De lucht is nu zuiver en alle geurtjes op straat flirten als bedwelmende parfums. Het hondje draait alle kanten op. Het is om gek van te worden. Links, rechts, voor, achter, overal lonken verleidelijke sporen. (meer…)

Loslopende gastarbeiders

27 februari 2015
hooglanders

Ze zijn er eerder dan ik: twee Schotse hooglanders.

Er zou sneeuw liggen op de heide. Vandaar dat ik mijn camera heb meegenomen. Maar de zon is er eerder dan ik. En deze twee koeien nog veel eerder. Die lopen daar dag en nacht, weer of geen weer. Ik maak een foto van het stel. Van ruime afstand. Ik heb het niet zo op dieren die los rond lopen waar ik rond loop.

Hoe dichter je bij zo’n beest komt, hoe imposanter het wordt. Ruige haren, stevige poten, vervaarlijke hoeven, lange puntige horen, grote, zwijgende ogen en een ontzagwekkende hoeveelheid vlees. Zeshonderd kilo of meer. Beukt dat op je in dan is je kans op een vrolijke voortzetting van je wandeling geheel verkeken. Blijf op 25 meter afstand, waarschuwen borden aan de rand van de heide. Zelden ben ik zo gehoorzaam.

Ze horen thuis in Schotland maar zijn hier naar toe gehaald om het graaswerk over te nemen van onze eigen schilderachtige schapen, die frequenteren op de doeken van de Larense Anton Mauve. Volgens zeggen schilderde die twee schilderijen per dag. Eentje van het vertrek van de kudde en de tweede van de terugkeer. De internationale kunsthandel was verzot op deze taferelen. Voor de schilderijen waarop de kudde aan komt lopen, sheep coming, werd nog meer betaald dan voor die waarop alleen de konten van de schapen waren te zien, sheep going. Die schapen zijn verdwenen, maar in cows coming heeft nog geen schilder inspiratie gevonden, hoewel ze allemachtig stil kunnen staan en met een brede kwast makkelijk te vangen zijn. Natuurbeheerders zijn enthousiast over de Hooglanders. Het zijn goede grazers, niet kieskeurig, winterhard en zelden agressief. Zeggen ze. (meer…)

Het verhaal van Sonja

28 oktober 2013

Sonja was slank en bewoog soepel, sensueel zelfs. Het het liefste ging ze vlak voor je op het tapijt liggen om zich daar ongegeneerd en wellustig uit te rekken. Ze had prachtige donkere ogen, die je dan zo verlangend aankeken dat je uit je luie stoel kroop om haar zachtjes te strelen over haar gladde hermelijnen vacht.

Prachtige donkere ogen

Maar dat was haar niet genoeg. Dalmatiërs zijn speels, onvermoeibaar en vasthoudend. En voor haar was het pas goed als we uiteindelijk samen in het donker een stevige wandeling maakten; zij vooruit met haar vloeiende, ritmische gang en lange passen, ik langzamer, vol gedachten en verlangend naar mijn eenzame nightcap naast mijn luie stoel. Dat Sonja een schoonheid was, die zelfs modellenwerk deed voor reclamespotjes, zag niemand in de late avond. (meer…)

Munnekeburen

10 oktober 2012

De schelpen van het voetpad breken onder onze wandelschoenen. Het pad lijkt een sluipweggetje langs de losse huizen die hier hardnekkig staan te staan, ondanks de harde wind die de wilgen wiegt en aan de daken trekt. Maar eeuwenlang was dit de hoofdweg vanuit Spanga  naar het noorden, tot aan de dijk van de Tjonger. Bijna evenwijdig aan dit pad loopt de Grindweg, nu een asfaltweg. In Munnekeburen komen de twee  wegen zo dicht bij elkaar dat alleen de kerk met zijn begraafplaats er nog tussen past.

Het kerkje van Munnekeburen.

Wij, mijn broer en ik, lopen hier in de voetsporen van onze overgrootvader Auke Haven, arbeider-boerenknecht, in de hoop iets te voelen van zijn leven, zijn wereld en onze afkomst. Een onzinnig idee. Munnekeburen zwijgt als het graf en afgezien van af en toe een auto over de Grindweg is er geen mens te zien of te horen. Een groepje eenden zorgt voor het enige teken van leven. Het dorp is overhaast verlaten of iedereen zit muisstil binnen. Het hek van de kerk roept krijsend om hulp als we de begraafplaats betreden, maar niemand reageert.

(meer…)

Hei is mooi!

30 augustus 2012

Mooier was de heide nog nooit.

Op een kleine 1200 kilometers van mijn huis aanschouwde ik deze zomer de lavendelvelden van de Provence. Maar hoe goed die paarse sprietjes ook hun best doen, ze halen het niet vergeleken bij het spektakel dat zich op nog geen kilometer van mijn huis afspeelt. De Gooische Noorderheide staat maniakaal met vurig violet te smijten alsof Vincent van Gogh nog overtroffen moet worden. Wat een kleur. Zelden zag ik zo veel en zo uitbundig paars joelen in mijn ‘achtertuin’.

Die heide was voor de schrijver Frederik van Eeden reden om hier te gaan wonen en liet er zijn kleine Johannes rond zwerven:
“Johannes ging aan den weg zitten, tusschen de donkere heide met de miljoenen kleine purperen bloempjes (..) het was prettig zoo vrij te zijn en zoo alleen en vertrouwd, te huis in het open veld. liefst bleef hij buiten slapen, in het kreupelhout.”

Tijdgenoot Lodewijk van Deyssel was ook dit niet met Van Eeden eens. Volgens die mopperkont “.. is de bloeiende heide niet mooi, omdat dat violet op licht paarsch, een lelijke kleur is. De bruine heide, met hier en daar iets fel roods er tusschen, is mooi.”

Van Deyssel heeft de zomer van 2012 niet mee mogen maken, anders had hij onmiddellijk zijn mening moeten herzien.

Een spin op de trap

6 april 2012

En dan dat verrukkelijker kontje!

Avondritueel. Ik doe de lampen uit, de deuren op slot en beklim de trap omhoog, naar de slaapkamer. Zij ligt al in bed, slaapt waarschijnlijk al door het oneindige gekissebis van Pauw en Witteman. Ik doe het zachtjes want een krakende traptrede kan haar al wakker maken. Dan zie ik een bolletje op het tapijt van de trap. Wat aarde? Een pluisje wol? Nee, het is een spin. Spinnetje, moet ik zeggen, niet meer dan een centimeter groot. Ik trek de slipper van mijn voet en leg zorgvuldig aan voor de fatale klap. Zij die daar boven slaapt is als de dood voor spinnen, wordt al hysterisch als ze er één ziet, laat staan bij de gedachte dat zo’n beestje met z’n enge poten over haar blote huid loopt, op weg naar ik weet niet waar. Om haar heb ik er al zoveel doodgeslagen dat het  routine is geworden. Grote exemplaren pak en plet ik met een papieren tissue, kleinere vermorzel  ik met de hand. In ons huis geen spinnen.

Ik sta te trillen op mijn poten, ben gespannen als een speer. Zij zit in haar web en doet alsof ze mij niet ziet, niet interesseert, maar ik weet wel beter. Sinds onze ogen elkaar kort kruisten, kan ik haar niet vergeten, wat ik ook probeer. Ze is betoverend. Ze staat prachtig hoog op haar lange poten, alle acht even rank en mooi behaard. Haar ogen glanzen als druppels vocht. En dan haar achterlijf, kort, rond, strak en verrukkelijk. Ze maakt iedere dag de mooiste webben, strak en delicaat als het mooiste kant. Mijn pedipalp staat op uitbarsten. Ik heb mijn web verlaten en ga, nee moet haar bespringen. Nu.

Nee, nog niet. Ik moet het rustig aan doen, hitsige gek die ik ben. Als ik vast kom te zitten in haar web, ben ik reddeloos verloren. Ze spuit me plat, maakt pap van me en zuigt me leeg met dat zoete mondje van haar. Nee, nee, ik moet me beheersen, zachtjes haar web wiegen, ritmisch tokkelen op haar snaren, haar geduldig verleiden tot ik haar mag beklimmen en in haar leeg mag kolken. Na die verrukking mag ze alles met me doen. Opeten zelfs. Het kan me niet schelen, als ik haar maar een paar kostelijke minuten mag bezitten en betoveren.

Nu moet ik op haar af, onbevreesd, waardig, ingetogen, alsof het mij niet interesseert. Mijn bloed giert door mijn lijf, stuwt van achteren naar voren. Mijn bulbus staat op springen. Ik ben bang dat ik voortijdig ontplof. Ik houd even halt.

Zwap! Iets groots en zwart suist op mij af. De dreun komt vlak naast mij meer. Instinctief weet ik wat het is: de dood. Ik schiet weg, zo plat als ik kan, langs de rand van het tapijt. Ik weet dat dit het onherroepelijke einde is. Maar er is geen film waarin mijn leven voorbij flitst. Er is maar één beeld: zij met schrikogen in haar web. Dan opnieuw een grote, zwarte dreun. Ik trek al mijn poten in, maar het is raak dit keer. Ik kraak maar voel niks. Ik ben verdoofd door angst. Het laatste wat ik zie is haar heerlijke kontje, terwijl zij wegvlucht uit haar web.

Met mijn vingers veeg ik het donkere bolletje de traptrede af, bang voor een vlek op het tapijt. Het komt terecht op de plavuizen van de gang. Voor de zekerheid plet ik het met mijn slipper en raap het restant op. Er blijft een klein vochtplekje achter op de vloer. Met een wc-papiertje haal ik het weg en loop naar boven, naar de slaapkamer. Zij slaapt al als ik me zachtjes naast haar vlij. Toch vraagt ze van ver weg: Wat deed je?
Niks hoor, schatje. Ga maar lekker slapen, fluister ik geruststellend.