Archief ‘oorlog’ categorie

Afschuwelijk mooi

19 april 2020

Marga Minco, de honderdjarige kettingroker.

.Enkele weken geleden werd ze honderd, wat heel bijzonder is voor iemand die de oorlog niet had mogen overleven en sindsdien de ene sigaret na de andere gulzig leeg zuigt. Marga Minco. De VPRO herhaalde een vraaggesprek van tien jaar geleden. Een vrouw die vlot de trappen besteeg van haar Amsterdamse woning maar pas na lang nadenken antwoorden gaf. Te oud voor een laptop of een tablet. Het letterbolletje van een elektrische IBM-schrijfmachine ratelde haar bedachtzame zinnen op papier. Stilte. Denkpauze. Sigaret. Een schrale rookwolk. Nieuwe woorden. Het bolletje roffelde vrolijk verder, legt de woorden neer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aktetas van onze leraar Nederlands zwaait open. Hij gaat op het puntje van zijn tafel zitten, vouwt een spiksplinternieuwe pocket open en zegt opgewonden: ‘Dit moet jullie horen!’
De omslag is foeilelijk. Ik kan alleen de titel lezen: Het bittere kruid, de naam van de schrijver is te klein om te ontcijferen.
‘De ik-figuur Sara, haar broer Dave en zijn vrouw Lotte krijgen een oproep om zich te melden voor arbeid in Duitse  werkkampen’ legt onze leraar uit. ‘Ze weten niet wat daar gebeurt, al zijn er wel sombere geruchten. Lotte voelt er weinig voor om zich te melden, Dave vindt het wel avontuurlijk en Sara eigenlijk ook wel. Om zich voor te bereiden op de reis gaan Dave en Sara kampeerbekers kopen. Zo heet dit hoofdstuk ook: Kampeerbekers.’

Onze leraar Nederlands kan goed voorlezen. Voorlezen is lezen zonder ogen. De woorden vloeien rechtstreeks je hoofd binnen, het verhaal in.

 

Tenslotte kwamen we in een winkel waar ze bekers hadden die hij [Dave] geschikt vond. Het waren rode, inklapbare bekers, van een groot formaat.
‘Wat zal er in komen?’ vroeg Dave aan mij.
‘Er kan van alles in, meneer’, zei de bediende. Melk en koffie, heet geserveerd, of wijn en limonade. Ze zijn van uitstekende kwaliteit, geven niet af en hebben geen bijsmaak. Bovendien zijn ze gegarandeerd onbreekbaar’.
‘Dan zullen we er drie nemen’, zei Dave. ‘Hebt u alleen rode?’
‘Ja’, zei de bediende, ik heb alleen maar rode; maar om te kamperen staat het heel fleurig’.
‘U hebt gelijk’, zei Dave. We gingen de winkel uit. Hij droeg de bekers, waar de bediende een keurig pakje van gemaakt had.

 

Mijn oren tintelen. Zo subtiel, zo kaal en zo krachtig, zo indrukwekkend had ik nog nooit taal gehoord. Zeventien jaar en al veel gehoord en gelezen over de Holocaust, maar nooit zo schrijnend en zo dichtbij. De gotspe dat je drie rode kampeerbekers uitkiest en je afvraagt wat er in zal komen, terwijl de bediende de kwaliteit aanprijst. Vanuit school fiets ik rechtstreeks naar de Zaanlandse Boekhandel op de Dam om de pocket te kopen. Het boekje is flinterdun en geschreven door een vrouw, Marga Minco. Thuis lees ik het in één ruk uit. Ik ben compleet van mijn stuk. Die kale, sobere zinnen en de kracht waarmee ze je treffen. Ik vind het buitengewoon.

Marga Minco overleefde als enige uit een orthodox-joods gezin de oorlog. Twee Duitsers  arresteerden vader, moeder en Marga bij een huiszoeking. Toen haar vader haar vroeg  om hun jassen te pakken, sloop Sara de tuin uit.

 

Zacht trok ik het tuinpoortje achter me dicht en rende de straat uit. Ik bleef rennen tot ik op het Frederiksplein kwam. Er was niemand te zien. Alleen een hond liep snuffelend langs de huizenkant.
Ik stak het plein over. Het was of ik alleen was in een verlaten stad.

 

Maar zo is het in het echt niet gegaan, vertelde Mingo in het vraaggesprek van de VPRO. ‘Het was heavier’, zei ze. Ze hadden afgesproken hoe ze via de tuin zouden ontsnappen als de Duitsers aanbelden, maar toen de bel werkelijk ging, sprongen haar ouders wèl over de schutting naar hun schuilplaats, maar rende Marga, tegen de afspraken in, via de poort de tuin uit. De Duitsers hadden haar ouders snel gevonden.

Ik was achter het tuinpoortje blijven staan, ik had de ster van mijn jas getrokken en stond te luisteren en door het sleutelgat te kijken wat er gebeurde. Ik dacht dat kan niet. Ik wilde het tuinpoortje open doen, maar dat was in het slot gevallen. Toen heb ik enorm staan bonzen op dat tuinpoortje, terwijl een kerel nog in de tuin was. Die vent kwam op dat tuinpoortje toe en deed het open. Voordat hij iets kon zeggen zei ik: ik woon hier. Nou, ga maar mee naar binnen, zei hij.
Ik moest de ster weer op mijn jas naaien. Dat heb ik in de tuin gedaan. Toen ik tenslotte weer binnen kwam, zei mijn vader: haal ook onze jassen even. In de gang heb ik mijn jas met de ster aangetrokken en ben ik weglopen, via het tuinpoortje en het steegje. Huppakee weg, terwijl die kerels nog met mijn ouders in de kamer stonden.

 

Het gezin Voeten: Bert Voeten, de dochters Betty en Jessica, Marga Minco.

Het duurt even voor ik Het bittere kruid teruggevonden heb tussen mijn boeken, die al jarenlang rug aan rug staan te hopen om nog eens geopend te worden. Het is nog dunner dan ik al dacht en de omslag nog lelijker. Berserik is de maker, de door mij bewonderde schilder en graficus Herman Berserik. Dat valt tegen. Als het boekje zelf dan ook maar niet tegen valt. Volgens de uittreksels van scholieren op het internet  heb je het in anderhalf uur uit. Ik doe er twee keer zo lang over, maar lees veel zinnen en passages twee of drie keer om tot het uiterste te genieten van Minco’s taalgebruik. Het bittere kruid is nog altijd een pronkjuweel.

Als ik het weer gelezen heb, blader ik het nogmaals door om de illustraties te bekijken. Die zijn me destijds nooit opgevallen, maar nu vind ik ze buitengewoon mooi. Ruwe lijnen, wanhopig vaak en verstild, gemaakt met hoekige pennen, verdroogde penselen, houtjes en takjes. Herman Dijkstra heet de krabbelaar. Nooit van gehoord. In het tijdschrift Maatstaf uit 1976 vertelde hij hoe hij de illustraties voor Het bittere kruid heeft gemaakt.

 

Ik zette mijn penselen in de stijfsel  en als die droog waren, trapte ik erop en dan draaide ik hem onder mijn hak rond, zodat het in plaats van een kwast een pluim werd, zal ik maar zeggen. Maar het ging niet in de eerste plaats om die pluim. Daar kwamen dan wat haren uitzetten waar ik hele dunne lijnen mee kon krijgen. Ik kon ook onverwachte lijnen krijgen, ik kon er alles mee doen.

 

Dijkstra’s illustraties passen wonderwel bij het verhaal van Mingo. Donker, ingehouden, suggestief.

Herman Dijkstra maakte prachtige illustraties.

Voor in het boekje staat als motto: ‘Er rijdt door mijn hoofd een trein vol joden, ik leg het verleden als een wissel om ..’  dat ik als 17-jarige behoorlijk indrukwekkend en mysterieus vond. Zelfs zo dat ik voor 2 gulden 50 de dichtbundel Menselijkerwijs kocht van dezelfde Bert Voeten. Dat hij in 1944, in de oorlog getrouwd met Mingo wist ik niet. En ook niet dat Voeten niet als een groot dichter geldt. Dat ik het nu wèl weet, deert mij niet. De treinwielen bonken nog even wanhopig als toen.

De eerste twee coupletten van Bert Voetens langere gedicht:

DE TREIN

Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om en ik tel
de veewagons met de grendels:
vijftig wagons, in elke
wagon vijftig mensen. Men ligt
geklemd tussen ledematen,
men is drager of gedragene,
gevangenen van elkander
in het duister van de wagon
in het duister zonder water
zonder lucht
zonder hoop.

Het is twaalfhonderd kilometer
naar sobibor – ik heb het
op een avond uitgerekend
met een kaart van europa voor me.
Zij wisten het niet, zij wisten
alleen dat hun wervels kneusden
tegen de baddings, hun tong
zwol als een blaar, hun ogen
schrijnden, hun voeten dood
in hun schoenen staken; zij leerden
dat men na twee, drie dagen
zijn water laat lopen, zijn nagels
gebruikt om ruimte te krijgen
wanneer men; ligt op het harde
lichaam van een gestikte.

—-

Marga Minco werd geboren op 31 maart 1920, Bert Voeten leefde van 1918 – 1992. Ze trouwden in 1944 en kregen twee dochters Betty en Jessica. Herman Dijkstra leefde van 1908 – 1976.
Maarten Schmidt & Thomas Doebele maakten in 2010 voor de VPRO de documentaire ‘Marga Minco – De schaduw van de herinnering’.

 

 

 

Ontsnapt als dwangarbeider -1

4 oktober 2018

Razzia op dwangarbeiders

Jan is een kast van een kerel, groot, sterk, voor de duivel niet bang en stront eigenwijs. Zit altijd in een sjiek colbertje stoer op de fiets, ongeacht de weersomstandigheden, zon, wind, regen, sneeuw, ijs of vorst. Het maakt hem niet uit. Joeg onlangs eigenhandig twee oplichters zijn huis uit. Heeft in het afgelopen voorjaar de hele achterkant van zijn huis geschilderd.  Last, freest en polijst in zijn werkplaatsje nog dagelijks dat het een lieve lust is. En is 93 jaar. Woont 20 meter bij mij vandaan in het huis, dat hij als 11-jarig knulletje al wilde hebben.
‘Als er iets in m’n kop zit, moet het ook gebeuren’, zegt hij er zelf over.

Er heerst een hardnekkig misverstand tussen Jan en mij. Hij denkt dat ik eens over kamp Amersfoort een documentaire heb gemaakt, maar ik denk het niet. Jan heeft een aantal dagen gezeten in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, het beruchte concentratiekamp, en heeft hem toen weten te smeren. Dat wonderbaarlijke verhaal wil ik graag uit zijn mond optekenen nu het nog kan, want meteen aan het begin van ons gesprek geeft Jan te kennen dat hij zijn leven zo langzamerhand wel welletjes vindt.

´Ik zou het niet erg vinden als ik dood ga. Ik hoef geen honderd te worden´, verklaart hij met nadruk.
Zowel de echtgenote van Jan als die van mij protesteren, maar Jan neemt zijn woorden niet terug. Het bevalt hem niet dat zijn benen hem af en toe in de steek laten en dat hij maar moeilijk uit bad kan komen. Hij heeft zijn leven altijd naar zijn eigen hand kunnen zetten. Zijn leven moet hem gehoorzamen en niet andersom. Dat is altijd zijn motto geweest, ook al toen hij een jongetje van 11 was en op zijn autostep bij het hoekhuis aan de rand van Hilversum stond en besloot dat hij dat huis zou gaan bewonen zodra hij getrouwd was.

Jantje (11 jaar) besloot In deze straat te gaan wonen, zodra hij getrouwd was.

Jan, oudste zoon van een schoenmaker in de arbeiderswijk Over ’t Spoor,  was 15 jaar toen Nederland capituleerde voor het Duitse geweld. ‘Daar had ik het heel slecht mee’, zegt hij, ‘ik had veel meer verwacht van het Nederlandse leger.’ Van de oorlog merkte je in het onbeduidende Hilversum aanvankelijk niet veel. De bezetter kon het af met een kleine honderd man, maar dat veranderde drastisch in 1942, toen het generaal Christiansen, opperbevelhebber van de Wehrmacht zijn hoofdkwartier van Den Haag naar het aangename en bosrijke Hilversum verplaatste. Villa’s en scholen werden gevorderd om het talrijke personeel prettig te huisvesten en in het simpele schapendorp wemelde het ineens van de hoge militairen en hun manschappen. Hilversum werd een vesting, gigantische bunkers en tankgrachten werden ingegraven en de mooiste villawijk werd tot spergebied verklaard.

De Groest in hartje Hilversum.

Een grote militaire parade in hartje Hilversum maakte diepe indruk op Jan. ‘De Ortskommandant, generaal Christiansen en andere hoge officieren zaten er hoog te paard. Aan de overkant stonden twee Duitse bands te spelen, ratte-tam-tam-tam. En voor hen langs zag je voorbij komen infanterie, kanonnen, tanks, een macht die zal je leven lang niet meer zou zien. Van de Groest gingen ze de Stationsstraat in, naar het station van Gent & Loos, waar de ene trein na de andere naar het oosten vertrok, naar Rusland en naar Joegoslavië. Zo’n macht had ik nog nooit gezien en zal ik nooit meer te zien krijgen. Im-po-ne-rend! Vrachtwagens waarin  kaarsrecht zes lui zaten, geweren tussen de knieën, loop recht omhoog, de ene vrachtwagen na de andere. Zware tanks, die het asfalt uit de weg haalden. Ongelooflijk. En al die marcherende soldaten van de Luftwaffe, zoveel, dat was ongelooflijk. Ik kwam thuis en barstte in huilen uit. Ik was ervan overtuigd dat we nooit meer van die moffen af zouden komen, zoveel macht als ik daar had gezien’, vertelt Jan. Hij voegt er snel aan toe: ‘Dat is overigens de laatste keer dat ik gehuild heb. Sindsdien heb ik nooit meer gehuild’.

Oproep zich te melden voor graafwerkzaamheden.

 

Het werd steeds beroerder. De Duitsers eisten steeds meer arbeidskrachten op voor de oorlogsindustrie en de bouw van verdedigingswerken. De Arbeitseinsatz. Vrijwillig ging dat niet. Een oproep die in oktober 1944 in Hilversum werd gedaan leverde nauwelijks respons, terwijl er een ‘dagelijkse vergoeding van vijf gulden, goede kost en rookartikelen’ werden beloofd. Dat schoot de Duitsers in het verkeerde keelgat. De fanatieke SD uit Amsterdam werd naar Hilversum gedirigeerd voor een verrassingsoverval. In de vroege ochtend van maandag 23 oktober ging in Hilversum het luchtalarm af  en schreeuwden soldaten dat alle mannen tussen de 17 en 50 jaar zich aan moesten kleden, snel een koffer inpakken voor een aantal dagen en zich melden op het gemeentelijk Sportpark aan de Soestdijkerstraatweg voor ‘graafwerkzaamheden’. Jan was dus ook de klos, maar hij was absoluut niet van plan te gehoorzamen. Maar er was geen ontkomen aan. De arbeiderswijken werden afgegrendeld, alle mannen hun huizen uitgejaagd. Af en toe werd een kelder met vermoedelijke werkweigeraars opgeblazen met een handgranaat.

Duitsers op mensenjacht.

‘Die razzia was perfect voorbereid, want die moffen konden puik organiseren. Je kon geen kant op. Ja. één kant: de Hoge Larenseweg uit, de kleine spoorbomen over, over de Groest en door de Emmastraat naar het Sportpark.’

De namen krassen in mijn oren. Het zijn allemaal namen uit mijn eigen omgeving, vriendelijke straten met vrolijke bomen en fladderende vogels. De tribune van het sportpark  is een meesterwerk van architect Willem Dudok. Ik ken al die plekken, weet precies hoe ze eruit zien, maar Jans woorden vullen ze met die voortgedreven, opgejaagde, angstige mannen uit het verleden. Weggejaagd uit hun eigen huizen. Losgerukt van hun vrouwen, hun kinderen. Geen eigen plek meer. Zo krijgen die straten zwarte, kille schaduwen, die niet snel zullen verdwijnen uit mijn gedachten.

‘Overal stonden de moffen. Maar ik had afgesproken met de directeur van het City-theater (een bioscoop op de Groest) dat ik daar mocht onderduiken. Ik had niets bij me, geen dekens, geen verschoning, helemaal niks. Dus toen ik over de Groest liep, dacht ik: nu sla ik rechtsaf en smeer ‘m.  Maar ik had geen kans. Twee moffen met geweren hielden me tegen en riepen Immer gerade aus. Dus dat ging niet door. Even later zag ik een overbuurman van ons lopen, die was agent bij de Landstorm, maar was verder geen beroerde kerel. Toen zei ik: Sakkes, zeg tegen m’n moeder dat ik opgepakt ben, maar ik hoef niks te hebben, want ik kom toch gauw terug. Daar was ik van overtuigd.’

Lees het vervolg: > Ontsnapt als dwangarbeider -2

Ontsnapt als dwangarbeider – 2

4 oktober 2018

Razzia op dwangarbeiders

Jan, 19 jaar, is in Hilversum opgepakt bij de grote razzia van 1944 en wordt als vee naar het Sportpark gedreven. Ontsnappen lijkt onmogelijk.

Het Sportpark werd één deinende mensenzee, volgens een boek, dat Jan me uitleende en  dat volgens Jan en de schrijver  ‘op ware feiten berust’. Er werden meer dan 3.500 mannen opgepakt, maar op de groene grasmat van het middenterrein heerste geen paniek, eerder joligheid. Ze moesten gaan graven rond Hilversum, werd er gezegd, en het zou maar een paar weken duren.

De geronselde mannen werden met veel geschreeuw in rijen gedreven en gecontroleerd op hun papieren. Alle persoonsbewijzen werden ingenomen en tegen twaalven vertrok een eerste groep van ruim 600 man uit het stadion. Daar werden ze opgewacht door honderden vrouwen en kinderen, maar gewapende bewakers hielden ze op afstand. Niemand mocht de stoet inhalen. Links en rechts liepen soldaten, geweer in de rechterhand, klaar om te schieten. Het werd een lange tocht via Soestdijk, over de Leusderheide naar een zwaar bewaakt en door prikkeldraad. afgegrendeld kamp. Jan: ‘Boven de ingang zag ik het bord Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort. We waren aangekomen bij dat beruchte concentratiekamp. En ik dacht, o moeder, dit is foute boel.’

Kamp Amersfoort was zeer berucht.

De poort van het kamp zou nog vier keer open gaan totdat alle opgepakte Hilversummers waren gearriveerd, 3.289 in totaal. Ze kregen barakken toegewezen maar mochten vrij door het kamp lopen tot aan de prikkeldraadversperringen, waarachter de barakken van de gevangenen lagen. Het zonnetje scheen nog steeds en de meeste Hilversummers hadden de moed nog lang niet verloren. Jan loerde nog steeds op een kans om weg te komen, zoals hij zijn moeder had beloofd.

De barakken van kamp Amersfoort.

‘We waren met z’n duizenden maar mijn buurjongen uit de Hoge Larenseweg zag mij ineens lopen. Dat was Piet Oskamp, die tamboer-maitre was. Piet is vanaf dat moment bij me gebleven, die ben ik nooit meer kwijt geraakt. We maakten een rondje langs die barakken in het kamp. Bij één van die barakken zaten Hilversummers heerlijk naar buiten te kijken zo van: we hebben het hier best voor elkaar! Daar was ook een neef van mij bij, William, een paar jaar jonger dan ik. Ik zeg: hé William, kom mee joh, wij gaan vluchten. Maar William zei nee, ik blijf bij mijn kameraden. Nou, dat heeft ie geweten. Hij was één van de eersten die sneuvelden in concentratiekamp Osnabrück bij één van de eerste bombardementen daar. Ik ben dus de laatste van de familie, die hem heeft gezien. Ik blijf bij mijn kameraden, zei ie.‘

Joseph Kotälla was een onmenselijke sadist in Duitse dienst.

Amersfoort was een berucht kamp. Beulen als de SS’er Kotälla vierden er hun sadisme bot. ‘Kotälla, godsiemijne, wat een ploert! Die zag kans om iemand dood te schoppen met één trap in zijn kruis. Zo’n oplazer gaf ie je.’ De gevangenen moesten zeer zwaar werk doen voordat ze op transport moesten naar Duitsland. Er was altijd te weinig eten. Het was een doorgangskamp, geen vernietigingskamp. Toch zijn er een kleine 500 Nederlanders omgekomen, gefusilleerd, mishandeld of verhongerd. Na de oorlog is het kamp snel met de grond gelijk gemaakt alsof je zo’n smet kan uitwissen. Nu is er een sober herinneringscentrum met als indrukwekkendst onderdeel de ‘schietbaan’, een diepe groeve, door de gevangenen gegraven, waar de executies plaats vonden.  Een hoog beeld, de Stenen Man, staat op de plaats waarop de kogels insloegen.

Een sober beeld markeert de voormalige executieplaats.

‘Van de Rozentuin heb je zeker wel gehoord’, vraagt Jan. Dat was een smal stuk grond  op de binnenplaats van het kamp. Het was aan alle kanten afgezet met prikkeldraad en was berucht als strafplaats. Gevangenen moesten daar urenlang, vaak ook dagenlang stokstil staan of voortdurend heen en weer lopen, ongeacht weer en wind en al die tijd zonder enig voedsel. ‘Achter dat prikkeldraad liep een vent heen en weer. Dat was een Nederlandse SS’er die gedeserteerd was en die de volgende ochtend zou worden gefusilleerd. Dat is ook gebeurd. Bij het appel hoorden we het salvo van het executiepeloton.’

De gevangenen in kamp Amersfoort noemden deze martelplaats de Rozentuin.

‘Toen ik twee dagen in dat kamp had rond gebanjerd, wist ik dat ik er nooit uit kon komen, helemaal nooit. Toen zei ik tegen Piet: weet je wat, we verstoppen ons hier in het kamp. We zijn daarop een barak in geslopen, waar we zicht hadden op de appelplaats. Zo konden we zien dat daar allemaal groepen werden gevormd van een paar honderd man en die marcheerden weg onder zware bewaking. Die gingen naar het station en dan naar Duitsland, maar dat wisten ze niet. Ze wisten niet waar ze heen gingen. Zo werd de spoeling steeds dunner in het kamp. Toen ik uit het raam van die barak een groep van 50, 60 mensen zag staan, zei ik: Piet, we gaan het veranderen, we gaan eruit, want zelf komen we nooit uit dit kamp. Toen hebben we ons ongemerkt bij dat groepje aangesloten en werden we het kamp uit gemarcheerd. Maar we kregen geen enkele kans om weg te komen. Om de anderhalve meter liep een mof met een geweer in de aanslag. En waar we heen gingen wisten we niet, maar het was niet naar het station.

Nijkerk in vredige tijden.

‘Nee, het was Hoevelaken. Daar werden we gestationeerd in een mooie grote tuin bij een villa. We zaten in het gras terwijl die moffen maar heen en weer liepen. Het leek erop dat die moffen geen raad met ons wisten. En ‘s middags om een uur of drie was het: Aufstehen! Weiter gehen! Er werd niet gezegd waarheen. Dus je stond op en liep mee. We gingen weer richting kamp. O god, dat niet, dacht ik, maar nee, we liepen het kamp voorbij. Even voorbij het kamp was een oude kazerne van het leger en daar mochten wij de nacht doorbrengen. In echte kribben. De volgende dag werden we weer afgemarcheerd, nu linea recta naar Nijkerk, en ik snap nog steeds niet waarom.

Lees verder  > Ontsnapt als dwangarbeider – 3
Lees terug    < Ontsnapt als dwangarbeider – 1

Ontsnapt als dwangarbeider – 3

4 oktober 2018

Razzia op dwangarbeiders.

Jan, 19 jaar, is opgepakt bij een grote razzia en heeft zich toegevoegd aan een buitencommando van het beruchte kamp Amersfoort. Hij zint nog steeds op ontsnappen.

Het kalme Nijkerk, 11.000 inwoners, overwegend christelijk, was in oktober 1944 met volle vaart de oorlog in geslingerd.  Het was er plotseling één grote zenuwentoestand geworden. Na de (verloren) Slag om Arnhem moesten alle burgers daar het slagveld ontruimen. Iedereen moest zijn huis uit. Zesduizend evacués werden naar Nijkerk gedirigeerd. Het stadje barstte bijna uit zijn voegen.

Het werd ondertussen ook bijna onder de voet gelopen door mensen uit het westen op zoek naar voedsel. Dat waren er duizenden per dag, soms wel 10.000. Uit christenplicht en ook gewoon uit medelijden werden zij – waar mogelijk – geholpen met maaltijden, een slaapplaats en voedsel.

Nijkerk werd bijna onder de voet gelopen door hongerende mensen.

Het tumult, de spanning en de angst werden bijna ondraaglijk toen in de nacht van 30 september op 1 oktober in het nabij gelegen Oldenallerbrug een aanslag werd gepleegd op een Duitse auto en een hoge Duitser om het leven kwam. De Duitsers namen wraak in Putten: ze staken huizen en boerderijen in brand en voerden 660 mannen af. In Nijkerk kon je ’s avonds de gloed van het brandende Putten zien en sidderde men. De Oldenallerbrug lag misschien wel dichterbij Nijkerk dan bij Putten. Ook in Nijkerk gijzelden de Duitsers ook inwoners. Zo’n 50 mannen en vrouwen werden opgesloten in de raadszaal van het stadhuis.

Ook in Hilversum heerst honger. Bewoners staan geduldig in de rij voor de gaarkeuken op het Langgewenst.

En tot overmaat van ramp moest de gemeente ook nog eens onmiddellijk onderdak verlenen aan 60 à 70 Hilversumse dwangarbeiders plus de manschappen van Organisation Todt, de Duitse instantie die de Atlantikwall had gebouwd, maar nu, nu de vijand niet meer uit het westen maar uit het zuiden kwam, haastig aan de slag moest op de Veluwe. De Grebbelinie moest worden uitgebreid met een westelijke arm tot aan Hoevelaken en Nijkerk, de Pantherstellung.  Holland moest voor de Duitsers behouden blijven, zodat ze van daar Londen konden blijven bestoken met hun V2-raketten. Bouwmateriaal voor de nieuwe stelling werd aangevoerd via de haven van Nijkerk. De Nijkerkers moesten met hun paard en wagens of met de benenwagen helpen bij het transporteren van de goederen naar de bouwplaatsen. In een paar maanden tijd was het rustige Nijkerk veranderd in een overspannen heksenketel en volkomen overgeleverd aan de wensen van de meedogenloze bezetter.

Organisation Todt bouwt nieuwe stellingen met behulp van dwangarbeiders.

‘We werden in een school geplaatst met stro op de grond. Ik had dekens mee moeten nemen, maar dat had ik niet. Eerlijk gezegd wist ik op dat moment niet wat ik moest doen. Ik moest maar afwachten hoe het zou gaan lopen. De Duitse Wehrmacht was vertrokken en in plaats daarvan waren we nu bij de Organisation Todt. Dat waren de bruinhemden, de lui van de bouw. Er werd van ons verwacht dat wij stellingen gingen graven, loopgraven, tankgrachten en dergelijke. Nou je kunt wel nagaan wat er gebeurde als je een stelletje Hilversummers daar oplos laat. De volgende morgen was het zaakje weer ingestort. Toen brulde een van die bruinhemden dat als dat morgen weer zo was, werden sie erschossen. Toen dacht ik:  o god, dat wordt foute boel. Ik zei tegen Piet, Piet we moeten weg. we moeten zo gauw mogelijk weg.

Er staan nog steeds bunkers van de Pantherstellung rond Nijkerk.

‘Toen hebben we gekeken hoe het allemaal in elkaar stak. We waren een buitencommando van kamp Amersfoort en we werden in die school bewaakt door Wehrmacht-soldaten, niet door die lui van Organisation Todt. Dat waren geen echte militairen, maar droegen wel wapens. Piet en ik merkten dat de Wehrmacht-soldaten die ons bewaakten om een uur of één ook ging slapen. Die dachten : dat uitgeputte zooitje blijft wel liggen. Maar de school werd niet afgesloten, merkten we. Deze moffen waren wel wat argeloos. Toen zijn wij ’s nachts omstreeks half vier weggeslopen. In het pikkedonker. Lopend van Nijkerk naar Bunschoten, Spakenburg, Eemdijk, Baarn, en toen naar de Oranjeboom op de hoek van de Soestdijkerstraatweg. Daar moesten we de Rijksweg oversteken. Dat was om een uur of twee ‘s middags. Tot die tijd hadden we geen mof gezien. Of toch wel, eentje.

Baarn: Haben Sie Feuer?

Niet ver van de Oranjeboom kwam er een mof op ons af. Nou is ’t gebeurd, zei ik tegen Piet. Hij hield ons staande en zei: Haben sie Streichholzen? Hebben jullie lucifers? Ik zei: nee, ich rauche nicht. Schade, zei ie en liep door. Pfff. Ik zei tegen Piet: wij gaan mooi het bos in. En toen zijn wij gaan lopen langs dat rijwielpad langs de spoorlijn. Daar kwamen we veel vrouwen tegen die op voedseltocht waren naar Eemnes. We vroegen ze dan of ze controles of razzia’s van de moffen hadden gezien en als er onraad was, hielden we ons een uurtje schuil tot er weer een groepje kwam. En als die zeiden: nee we hebben niks gezien en dan gingen we verder. En zo kwamen we thuis zonder een mof te hebben gezien. We hebben een hoop geluk gehad, ontzettend veel geluk. Ik had nog wel een probleem: ik had geen persoonsbewijs meer, ik kon me niet meer legitimeren. Ik moest me dus wel koest houden. Ik heb een paar nachten geslapen in de werkplaats van een oom, maar ik heb verder geen last gehad, tot aan de bevrijding aan toe.

En dat is mijn verhaal’, besluit Jan resoluut.

Hilversum wacht op zijn bevrijders.

Ik noem hem in de eerste zin van dit verslag stront eigenwijs. En dat is hij ook. ‘Positief eigenwijs’, zegt hij zelf. ‘Ik kanker nooit.’ Ik snap hem wel, want alleen omdat hij zo eigenwijs was, is hij ontkomen aan dwangarbeid in een of ander Duits kamp met alle mogelijke gevolgen van dien. Van de 3.289 Hilversummers die bij de razzia opgepakt werden, zijn er 487 nooit teruggekeerd uit Duitsland. Zij die wel terug kwamen, hebben er op zijn minst vreselijke herinneringen aan over gehouden. Jan is er alleen maar sterker van geworden.

< Ontsnapt als dwangarbeider – 1
< Ontsnapt als dwangarbeider – 2