Archief ‘oorlog’ categorie

1. Een nieuwe auto voor niks

5 mei 2021

Het is zo’n dag met ingehouden adem. Een schraal zonnetje, monochroom licht, een vogel die Vivaldi zingt. Hij stopt abrupt en fladdert weg als de telefoon gaat. ‘Citroën Garage’ meldt het scherm. Huib dus.
‘Goedemorgen’, roept Huib enthousiast. ‘Stoor ik? Ik heb namelijk iets heel moois voor jou. Je wilde toch een nieuwere Picasso? Nou, die heb ik voor je gevonden. En je mag nog kiezen ook. Ik heb er namelijk twee, de ene nog mooier dan de ander! Kom maar gauw.”

Huib is Citroën, net als ik. We zijn beiden verslingerd aan dat Franse automerk al sinds de tijd dat ik de trotse eigenaar was van een crèmekleurige 2CV. Maar Huib is mijn dealer en ik zijn welwillende klant. En als Huib zegt dat je gauw moet komen dan doe je dat omdat je weet dat het de moeite waard is. En dat het je geld gaat kosten.

Met een Citroën 2CV door Frankrijk zweven, wat is mooier dan dat?

Het is tien minuten lopen van mijn huis naar zijn garage, net lang genoeg om te overdenken of het wel zo’n goed idee is om mijn oude, trouwe Picasso Xsara na 170.000 kilometers aan de kant te zetten voor een jonger ding met wie weet wat voor verleden en met welke verborgen kuren. Maar aan de andere kant moet ik er ook niet aan denken dat mijn oudje plotseling het loodje legt. Tijdens  de komende zomervakantie bijvoorbeeld en ik met het zweet in mijn handen aan de kant van de autoroute aan een Franse wegenwachter in het Frans moet uitleggen dat we nabij Longwy een ‘plonk’ hoorden die steeds duidelijker en steeds frequenter werd, totdat we nabij Thionville ook nog een ‘pling’ hoorden, nu niet voorin bij de motor maar links bij het achterwiel, heel scherp en heel akelig, en dat mijn echtgenote – épouse – ongeveer tien minuten later de geur van schroeiend rubber begon te ruiken. En dat we, nu we stilstaan de vloer bij het achterwiel loeiheet is. En dat we lid zijn van de Nederlandse A-N-W-B en een doorlopende reisverzekering hebben bij de I-N-G-bank en een creditcard bij de Visa. En dat we voor 17 uur in ons hotel in Metz moeten zijn omdat ze anders onze kamers vrijgeven en dat het in zo’n druk weekeinde in zo’n drukke stad onmogelijk is om nog twee behoorlijke tweepersoonskamers te vinden. Overigens, fijn dat u zo snel gekomen bent, werkelijk merci beaucoup, maar vindt u het echt nodig om onze volgeladen auto weg te laten slepen naar een garage?

Heerlijke bochten in de Elzas’.

Onze bestemming dit jaar is de Elzas, een streek waar we nog nooit eerder geweest zijn in al die jaren dat we vakantie vieren in Frankrijk. Ja, echt: vieren. Je zou ons verknochte francofielen kunnen noemen. Frankrijk, zo’n enorm groot land met een fantastisch fijnmazig wegennet en een bont scala aan landschappen: bergen, meren, zeeën, zandstranden en rotskusten, eindeloze graanvelden en uitgestrekte bossen, boeiende steden en lullige dorpjes, hooggebergtes en laaglanden. Overal restaurantjes en terrasjes met overheerlijke spijzen en drank. En bovenal in bijna ieder gehucht een Citroëngarage! De Elzas is gemakkelijk binnen een dag te bereiken – mits je auto het niet begeeft -, maar wij zullen er langer over doen, want voor ons begint de vakantie al zodra we de grens van ons Frankrijk passeren en we zijn aangekomen in het verleidelijkste land van Europa.

Daar gaat al mijn spaargeld!

Huib vindt de jongste van zijn twee Picasso’s inderdaad de beste koop voor mij. Hij is weer een slag groter en ruimer dan zijn voorganger. Hij blinkt en geurt als nieuw, heeft een zachtblauwe kleur, een instrumentenbord als van een vliegtuig, een handig spiegeltje in de zonneklep van de echtgenote en een kilometerstand die smeekt om meer. Ik sta voor de mooiste, grootste en krachtigste auto die ik ooit zal bezitten. Ik moet ‘m alleen nog zien te kopen. ‘Daar gaat al mijn spaargeld’, kreun ik als Huib zijn prijs noemt.  ‘Dan neem je toch die andere’, antwoordt hij. Hij heeft al lang gezien dat ik als een blok gevallen ben voor die zachtblauwe schoonheid. Ik zie ons al samen de Elzas binnen rijden, probleemloos alle heuvels beklimmen, in de bocht soepel terugschakelend van zes naar vijf, terwijl de twee koplampen automatisch meedraaien. Ik bied voorzichtig 500 euro lager. ‘Ik geef je zes maanden garantie’, belooft Huib. Ik moet snel rekenen: zes maanden – dat is dus tot en met augustus, ruim voorbij onze vakantie. ‘Als je er die 500 af doet’, bied ik met bonzend hart. Huib denkt zogenaamd even na en lacht dan: ‘Akkoord, armoedzaaier.’ We slaan het af met onze handen. Ik heb nog nooit zo snel een auto gekocht, een tweedehands nog wel, waaraan ik vroeger nooit wilde beginnen. Het is onstuimige liefde op het eerste gezicht.

Ik wil nog wel wat aanpassingen. Trekhaak eraf, want daaraan beschadig ik altijd mijn schenen. En een houder voor mijn TomTom navigator. Huib kijkt me verbaasd aan.
‘Man, je hebt net een auto gekocht met ingebouwde navigatie!’
‘Dat had voor mij niet gehoeven.’
Ik zweer bij TomTom. Om zijn mooie display en vooral om de kalme en duidelijke stem van Bram – god hebbe zijn ziel -, vertrouwde metgezel op al mijn autoreizen, rots in de soms kolkende branding van het autoverkeer., die je als een vader bij de hand neemt, je brengt waar je wil zijn en besluit met het verlossende ‘Bestemming bereikt’. Je kijkt verbaasd om je heen en werkelijk: daar staat je hotel. En dat is dit jaar Hotel La Citadelle, 5 Avenue Ney in Metz, twee tweepersoonskamers met ontbijt, bewaakte parkeerplaats en gelegen pal naast het bedaarde Esplanadapark en dicht bij het levendige centrum.

Musée de la guerre de 1870 et de’l Annexion. 

De vakantie is al helemaal geregeld: bestemming, datum, aantal weken, route en hotels op heen – en terugreis. Na Metz rijden we 15 km we naar Gravelotte, naar het Musée de la Guerre de 1870 et de l’Annexion, geheel gewijd aan de bijna vergeten Frans-Duitse oorlog van 1870, waar bij de Elzas werd geannexeerd door Duitsland en waaruit de Eerste Wereldoorlog is ontstaan, waarbij de Elzas weer bij Frankrijk kwam. Daarna is het nog slechts 187 km over de heuvels naar onze eindbestemming. Ik voel ons tweeën nu al moeiteloos de heuvels en bochten bedwingen van de groene Vogezen, mijn Picasso C4 en ik. Huib staat klaar met mooie bos bloemen als ik de Picasso bij hem afhaal. Eigenlijk had ik hem moeten bedanken voor het aanstaande feest.  Ik neem me voor om voor Huib een mooie wijn te kopen als we straks in de Elzas zijn. Zal hij leuk vinden.

Een bloedige en vergeten oorlog.

Het gaat niet door. Bij duizenden landen kleine gemene covidmonstertjes om ons heen. Ieder mens is onze vijand geworden, kan ons een vreselijke marteldood bezorgen.  Alle grenzen gaan dicht. Ik cancel al onze vakantiebestemmingen. De Picasso C4 snapt niet wat er aan de hand is, staat onwennig te wachten voor ons huis. De zomer wordt vacuümgetrokken. Het wordt stiller en stiller. ’s Nachts droom ik zonder maat en zonder eind. Ik ben voortdurend op vakantie en flipper van het een naar het ander. Een verlaten grensovergang, een terras in de regen, een vrouw die deftig enchanté zegt, een ree dat opspringt in een woud, golven die rennen langs de oever van – waarschijnlijk – de Rijn, een meisje dat wijst naar een monument voor de gevallenen, een tractor tussen de wijnranken.

Zo’n mooie Citroën had ik nog nooit.

Mijn hoofd is een eindeloze spookbaan geworden, een op hol geslagen mallemolen, een diaprojector die bizarre beelden mitrailleert. Hoe kan ik dit stoppen? Ik moet mijn dromen weer de baas worden. Afleiden. Ik moet aan iets radicaal anders gaan denken. Dat doe ik bij deze. Ik ga een heel andere reis bedenken, uitzoeken en maken. Naar een compleet ander gebied. Ik begin zoals altijd door het internet te raadplegen over routes, bezienswaardigheden, achtergronden en hotels. Maar dit keer blijf ik op mijn stoel zitten, achter mijn laptop. Deze reis maak ik virtueel. Zo ontwijk ik al die coronamonstertjes en kan ik overal ongehinderd en zonder mondkapje komen. En waar gaat de droomreis naar toe? Ik kies een bestemming waar ik al eens eerder was, maar jong, onbezonnen en vooringenomen. Nu ik dat alles niet meer ben, wil ik er nog wel eens kijken. En voelen of het nog net zo voelt als toen.
Ik ga naar Duitsland, naar de Lüneburger Heide.

Vervolg: 2. Schieten naar het IJzeren Gordijn.

2. Schieten naar het oosten

5 mei 2021

De eerste bestemming van mijn virtuele reis is het stadje Celle aan de rand van de Lüneburger Heide, een rit van 388 kilometer, dus makkelijk in een dag te doen. Omdat virtueel reizen geheel gratis is kies ik voor een luxe hotel net even buiten het centrum, hotel Fürstenhof aan de Hannoversche Strasse, gevestigd in een barok paleis uit 1680. Managing director Ingo Schreiber, dikke kin, strak in het pak, staat me al met een brede glimlach op te wachten aan de voet van een gebeeldhouwde trap. ‘Wees onze gast in een van de mooiste vakwerksteden van Europa en geniet de gastvrijheid van Althoff Hotel Fürstenhof, gelegen aan de poort tot de Lüneburger Heide’, roept hij uit.

Hotel Fürstenhof biedt aangenaam comfort.

Ik kies voor een ruime, luxe tweepersoonskamer, recentelijk gerenoveerd en geschilderd in warme aardekleuren. Bed met gezondheidmatrassen, badkamer met overdadig comfort, royale inloopkast voor mijn garderobe en een Leysieffer koffiemachine voor het gemak. Indoorzwembad, fitnessruimte, royale parkeerplek voor mijn Citroën Picasso. Twee overnachtingen met ontbijt voor € 396.-. Geld speelt geen rol als je denkbeeldig reist. Ik laat me wegzakken in een van de fauteuils en snuif verlekkerd de weldadige luxe in mij op.

Mijn eerste reis naar de Lüneburger Heide was minder comfortabel. Ik legde die af in een militair konvooi, in de laadbak van een een-tonner languit liggend op een camouflagenet en onder een smoezelige paardendeken. Dat was in maart 1961. Ik was twintig jaar oud, diende onvrijwillig bij de veldartillerie en meende al heel wat van de wereld te begrijpen. Op mijn reis van nu wil ik dit gebied nog eens bekijken omdat ik destijds veel over het hoofd heb gezien en veel niet heb begrepen. Onze afdeling veldartillerie kwam hier voor schietoefeningen. Onze kanonnen konden wel dertig kilometer ver schieten. In Nederland geeft dat al gauw problemen, maar op de Duitse heide moest dat kunnen, zolang je maar oostwaarts schoot. Toch was Bos, onze dood nerveuze wachtmeester eerste klas, er niet gerust op. Hij waarschuwde ons voortdurend dat we ons bevonden op slechts 15 kilometer van het IJzeren Gordijn met daarachter de tot de tanden toe bewapende communistische horden, die loerden op een kans om het Vrije Westen binnen te stormen en ons te beroven van onze vrijheid, onze welvaart en onze vrouwen.  We moesten daarom van hem voortdurend op onze hoede zijn en uiterst voorzichtig bij alles wat we deden. Als we een gat schoten in dat gordijn zou de pleuris uitbreken, meende hij.

Het IJzeren Gordijn hangt akelig dichtbij, vond wachtmeester Bos.

Ouwelullenpraat, vond ik het. Als dienstplichtig soldaat bezat ik zelf ook geen vrijheid, met een soldij van een-vijfentwintig per dag kende ik geen welvaart en met dat inkomen kon ik ook geen vrouw trouwen. Ik vermoedde bovendien dat wachtmeester Bos het verschil niet kende tussen fünfzehn en fünfzig. Hij was volgens ons zo stom als het achtereind van een varken en zijn kop leek sprekend op die van hetzelfde beest. Als Bos geen pet had gehad had hij zo bij de slager in de etalage kunnen liggen. Mijn ‘slapie’, marconist Michel Kast, had Bos in de telefooncentrale eens te keer horen gaan omdat die ‘stomme moffen’ hem niet wilden verbinden met ‘Zustel ein-sieben-five’. In onze ogen een nieuw bewijs van de oerdommigheid waarmee al onze beroepsofficieren en -onderofficieren waren behept, niet een uitgezonderd.

Met hun sterren en strepen waren ze dan wel onze meerderen als het op bevelen aankwam, qua intelligentie, beschaving en inzicht voelden wij ons ver boven hen verheven. Ze werden militairen genoemd maar het waren doodgewone ambtenaren, die op tijd thuis wilden zijn voor hun pantoffels, hun borrel, hun avondeten en de televisie. Ze hadden een mooi, rustig leventje. Overdag niks anders te doen dan een beetje commanderen en schreeuwen en ’s avonds mak op de bank met Mister Ed, Wie van de Drie en Swiebertje op de beeldbuis. ‘Schreeuwen is onmacht’, verkondigde Michel. ‘Wie het hardste schreeuwt heeft de kleinste lul’, voegde Bram de motorkoerier eraan toe. Het Rode Gevaar imponeerde ons niet ook al werden we geacht dag en nacht paraat te zijn om dat kwaad te vermorzelen zodra het losbrak. ‘Mooi rood is niet lelijk’, volgens Bram. En volgens Michel ook. Ik had eens gezien dat hij in zijn portemonnee de foto van een roodharige schoonheid bewaarde. Maar over dat rood hadden we het niet. Zoals gewoonlijk kletsen we maar een stuk in de ruimte. We waren het voortdurend oneens met elkaar behalve als het over onze veldartillerie ging. Die stelde volgens ons geen reet voor. Voordat onze kanonnen in stelling waren gebracht waren we allang onder de voet gelopen door de rode hordes, was onze opinie.

Een ansichtkaart van de Lüneburger Heide voor het thuisfront.

De Lüneburger Heide zag er niet veel anders uit dan onze Edese heide, maar was wel stukken groter. Ook hier bloeide de erica niet in maart, ook hier stonden van die struiken, die je in het donker schrik aanjoegen omdat ze precies op mensen leken, en ook hier hadden onze kanonnen de diepe sporen in de toegangswegen getrokken. Onze een-tonner kwam erin vast te zitten, zodat een vertraging opliepen van ruim twintig minuten. Wachtmeester Bos stond ons al ongerust op te wachten. ‘Goddomme, slome slakken, waar komen jullie in hemelsnaam vandaan’, bulderde hij. ‘Aus Holland’, antwoordde Michel. We moesten meteen onder het toeziend oog van Bos onze tent opzetten en wel zo dat die keurig in het gelid kwam te staan met de andere tenten van ons bataljon. ‘Wat maakt het nou uit hoe ze staan’, mopperde ik. ‘Omdat ik niet over jouw scheerlijnen wil struikelen als ik vannacht moet pissen’, bulderde Bos. ‘Begrepen!?’

Ons kampement zal geen indruk gemaakt hebben op de spionnen van het Rode Gevaar, die volgens wachtmeester Bos ons voortdurend beloerden vanachter de jeneverbesstruiken, die overal op de heide opdoemden. Het zag eruit als een familie camping met overal luchtende slaapzakken, drogende handdoeken en zonnebadende gasten. De nacht was koud en vochtig, maar de zon maakte er binnen een paar uur een aangename dag van, ondanks het gebulder van onze kanonnen op de achtergrond en ondanks wachtmeester Bos, die waakzaam patrouilleerde tussen de tenten. ‘Pet op, Rep’, blafte hij tegen mij. ‘Jawel, wachtmeester.’ ‘En haal die grijns van je kop’. ‘Jawel, wachtmeester’.

De M114 155 mm houwitser op het terrein van onze kazerne in Ede.

Met Google Maps zweef ik over de Lüneburger Heide. Een oeroud gebied, ooit van oneindig uitgestrekt, nu grotendeels opgevreten door stedelijke bebouwing. Wat er nu nog van over is, is een geliefde en veelzijdige vakantiebestemming met een keur aan hotels, campings, fiets- en wandelpaden, pretparken en gelardeerd met oude steden en stadjes met pittoreske vakwerkhuizen. Op de dunbevolkte Südheide legde de Wehrmacht in 1935 grote militaire oefenterreinen aan, die na de oorlog werden bezet door het zegevierende Britse leger. De bevolking groeide explosief door de instroom van Heimatvertriebenen en de daklozen uit de platgebombardeerde steden van Hitlers Derde Rijk.

In 1961 wist ik dat allemaal niet. De oorlog was te kort geleden beëindigd om interessant te zijn. Van de moffen moest ik niets hebben, Heinrich Böll en Günther Grass uitgezonderd. Vooral als ze platte petten droegen waren ze onuitstaanbaar. Mijn schoolvriendje Frits en ik (beiden 13 jaar) waren in Aken argeloos een Einbahnstrasse in gefietst en door een agent met een pet zo groot als een heli-platform met harde stem uitgekafferd. We kregen geen enkele kans om uit te leggen dat we het bord niet begrepen hadden, dat het er ook helemaal niet als een verbodsbord uitzag en dat we in onze Heimat dan ook een veel duidelijker bord hadden voor eenrichtingsverkeer. De man bulderde maar door en we moesten te voet met onze zwaarbeladen fietsen omkeren. Frits (zachtjes): ‘Rot mof.’ Ik (iets harder en iets verder weg): ‘Nazi-zwijn!’ Frits (nog wat verder weg): ‘Fiets terug.’

Het was zeker niet de bedoeling onze hele voorraad granaten te verschieten op de Lüneburger Heide. En buiten het schieten was er niet veel te doen. Ons verblijf te velde begon daardoor verdacht veel op vakantie te lijken, mede dankzij het aangename zonnetje. Maar ik kreeg een rijopdracht. Ik moest onder het toeziend oog van kornet Stegeman, een lange spriet en geen gelijkenis met een leverworst, onze veldpost wegbrengen naar Trauen, waar een Engelse kazerne zou moeten zijn. Waarom Stegeman mee wilde voor zo’n eenvoudig klusje begreep ik niet. Had hij Frauen verstaan? Of lokte hem een lekker ritje door de bossen en over de heidevelden? In ieder geval had hij er duidelijk veel zin in. Eenmaal buiten de oefenterreinen begon de kornet jolig te la-la-la-en. Jonge officieren wisten zich nooit zo goed te gedragen zodra je met z’n tweeën was.

‘Ken je dat lied’, vroeg hij. ‘Niet in deze uitvoering’, antwoordde ik. ‘Het heet Auf der Lüneburger Heide. In dem wunderschönen Land.’ Stegeman maakte een weids gebaar over het heidelandschap, stak zijn wijsvinger omhoog en declameerde vervolgens veelbetekenend: ‘Ging ich auf und ging ich nieder.’ Hij keek me betekenisvol aan. ‘Allerlei am Weg ich fand.’ Hij barstte uit in vol gezang en stampte daarbij de maat met zijn rechtervoet: ‘Valleri Valera ha ha ha, und juheirassa, bester Schatz, bester Schatz, denn du weißt, du weißt es ja’.
Toen ik niet reageerde op deze beschamende vertolking keek Stegeman me laatdunkend aan: ‘Je snapt het echt niet. Of heb je nooit Duits geleerd? Het betekent: Ging Ik Op En Ging Ik Neer! Nou? Snap je nou waar het over gaat?’ ‘Volgens mij over de zon.’ ‘Lul’, antwoordde de kornet.

Mijn een-tonner, een DAF YA-126, overal geschikt voor.

Waar Trauen precies lag, was ons niet verteld. We moesten daarom een aantal keren stoppen om navraag te doen. Het viel me op hoe vriendelijk en voorkomend de moffen waren. We spraken toentertijd altijd van moffen, nooit van Duitsers. In de garnizoensplaats Ede werd je in je soldatenkloffie doorgaans als uitschot behandeld maar hier niet. Deze moffen kon ik nauwelijks verstaan, ze hadden duidelijk nooit les gehad van Venema, mijn leraar Duits. Ze knikten en lachten en bogen onderdanig. ‘Gute Reise!’ Eenmaal bij de Britse kazerne was het precies andersom. De Tommies gedroegen zich arrogant en uit de hoogte. Of ik niet kon salueren en dat ze verdomme geen postbodes waren. Maar ook onder de meest verwaande Britten is er altijd wel een die wel vriendelijk is en je wilt helpen. ‘Jippie’, sprak de kornet dankbaar toen ik eindelijk de zak met post op de juiste plaats kon afgeven. ‘Is dat Engels’, informeerde ik. ‘Nee, cowboys’, antwoordde hij grijnzend. Dat viel me mee van die Hans Worst. Hij had mijn slapie Michel kunnen zijn.

Verder: 3. Nicht erwünscht in de stad Celle

3. Nicht erwünscht in Celle

5 mei 2021

In ons kampement poetsten we ons koper glanzend op en hesen ons in ons uitgaanstenue, de vormloze wollen uniformen, die prikken als de hel, afdankertjes van het Engelse leger, op zijn plaats gehouden door een dikke canvasriem. Blonk je koper niet dan ging je verlof of je uitstapje mooi niet door. Maar wachtmeester Bos vond het mooi genoeg en dus mochten we gaan passagieren in Celle, waar het volgens de kanonnenboeren wemelde van het bier en de meiden. ‘Geen rottigheid’, waarschuwde Bos. ‘Als je te maken krijgt met de Engelse MP ben je niet jarig.’

Meer dan 400 vakwerkhuizen staan in Celle te pronken.

Celle leek een openluchtmuseum met het ene vakwerkhuis na het andere. De kanonnenboeren stortten zich massaal en luidruchtig op de Gaststätten. Mijn slapie Michel en ik kozen een wat rustiger café. ‘Nein’, sprak de barman gedecideerd en maakte het wegwezen-gebaar. Ik wilde me al omdraaien maar Michel wilde wel weten waarom we weg moesten wezen. Daar wilde de barman geen woord aan vuil maken, wees alleen maar het bordje boven zijn bar: No British Military Here. ‘Kom op, laat die mof stikken’, fluisterde ik en probeerde Michel weg te trekken. ‘Aber wir sind Holländer’, protesteerde Michel. De man liet zich niets wijs maken. ‘Aus’, beval hij. In plaats daarvan duwde Michel hem zijn militair paspoort onder zijn neus en herhaalde ‘Wir sind Holländer’ De man keek, haalde nog even zijn dweiltje over de bar en capituleerde toen: “Also Holländer. Aber warum zum Teufel tragen Sie britische Uniformen?‘ Tja, dat wisten we ook niet. ‚Misschien hebben we dezelfde kleermaker“, opperde Michel maar veel gevoel voor humor bleek de barman niet hebben. ‚Britischen nicht gut‘, mokte hij.

Het bier was wel goed maar we wilden niet al te lang blijven bij onze dubieuze gastheer, die er na het afrekenen nog een vriendelijke draai aan wilde geven.
‘Auf wiedersehen”, zwaaide hij met zijn dweiltje. ‘See you later’, antwoordde Michel. ‘Alligator”, vulde ik aan.

In het centrum van Celle werden onze kanonnenboeren steeds luidruchtiger door het Duitse bier en het ontbreken van meiden die ook wel een slokje lustten. Nog even en de Britse MP’s zouden verschijnen. Die herrie wilden we niet meemaken. Wij hadden behoefte aan met rust gelaten te worden, wat in het soldatenleven nauwelijks bestaat. Er kwam altijd wel een meerdere langs voor wie je moest salueren met een krachtige zwaai van je rechterarm naar je baret. Daarom kozen we voor een wandeling door een stil, donker bos dat tegen Celle aanleunde.

‘Er klopt iets niet, vonden we alle twee.

Het was een bos zoals ik nog nooit had ervaren. Dikke stammen die met enorme kracht omhoog rezen en er verder het zwijgen toe deden. Het zonlicht kwam niet verder dan kort voorbij de kruinen. Op de grond lag slechts hier en daar een gemorste zonnevlek. We spraken over de dingen die ons bezig hielden. Dus vooral over wat we zouden gaan doen als we weer burgers waren. Ik wilde iets met mijn pen doen, schrijven of tekenen, misschien ook wel beeldhouwen of iets bij de radio. Michel dacht iets in de bouw te gaan doen. ‘Nee, niet met een hamer of zo, maar met iets dat nog nooit was gedaan. Het bouwproces ontrafelen, kijken of het niet anders kon, makkelijker, logischer, efficiënter. Zonder hamer wellicht. Typisch Michel, dacht ik. ‘En heb je ook een plan-B?’, vroeg ik Nou als het in de bouw mislukte, dan zou hij wel een bordeel willen runnen. ‘Niet zo’n ordinair ding met luie sloeries maar met vrouwen van topkwaliteit, die je zo kunnen bevredigen dat je dagen buiten westen bent.’ ‘Plan-A lijkt me heel wat realistischer’, schamperde ik.

We zwegen een tijdje alsof het bos ons zijn zwijgen oplegde. Ik kreeg een zwaar gevoel. De roerloze bomen begonnen op mijn zenuwen te werken. Ze gaven mij het gevoel van reusachtige zerken op oude verlaten grond. Ook Michel leek dat onbestemde te voelen. Hij liep meer naar de grond te kijken dan naar het beklemmende woud. Zo bereikten wij een open plek, een rechthoekige akker met lage aanplant en op de diagonale hoeken lage torentjes van hout. Uitkijktorens leken het, als in een concentratiekamp. Ik schudde aan het bouwsel. Het was stevig genoeg om te beklimmen. ‘Wat zie je,’ vroeg Michel toen ik boven was. ‘Bomen, bomen en daar – ook bomen’.

Uitkijktorens leken het, als in een concentratiekamp.

De bedoeling van het bouwsel ontging me. Of zou het nog iets zijn van de oorlog, die ook hier waarschijnlijk had gewoed. Michel maakte een foto van mij en klom toen ook omhoog om het uitzicht te inspecteren.
‘Jagers’, concludeerde hij. ‘Hier vandaan heb je een prachtig zicht op het wild.’
‘Wat voor wild dan?
‘Hertjes’, dacht hij. Ik schrok. In mijn wereld liepen herten nooit vrij rond. Het idee dat we zo’n dier met die oneindige ogen zomaar op onze wandeling hadden kunnen tegenkomen, deed me de schrik om het hart slaan. Loslopende dieren van welk formaat dan ook beangstigden mij. ‘Jezus’, vloekte ik geheel tegen mijn principes in, maar het zou me wel vergeven worden in dit godverlaten bos.
‘Eigenlijk denk ik hazen’, vergoelijkte Michel in de uitkijktoren. ‘Die drijven ze op en dan pief-paf-poef.’ Michel imiteerde wat gerichte schoten. Bij mij keerde het beklemmende gevoel van zonet in volle kracht terug. ‘Kom, laten we gaan’, stelde ik voor. Michel wilde dat ik van hem ook een foto nam op die jachttoren en toen smeerden we hem.

Jagers, concludeerde Michel.

‘Ik vind het een klote bos’, zei ik. ‘Er deugt iets niet’, meende ook Michel. Gek dat hij kennelijk hetzelfde voelde als ik, want het verleden kan niet klagen. En toch had ik zacht gejammer gehoord als de doodsnik van een bloedend hert.

Ik trek mij terug in mijn lekkere, luxe kamer in hotel Fürstenhof, de Leysieffer koffiemachine binnen handbereik, laptop op schoot. Op YouTube is het in Celle nog geen corona. De zon schijnt onuitputtelijk op het bonte leger van toeristen en op de vakwerkhuizen, die zich schouder aan schouder laten bewonderen en fotograferen. Het zijn er maar liefst vierhonderd, de een nog ouder dan de ander en nergens een rimpel te zien bij die oudjes. Hoe is dat mogelijk? Is hier geen oorlog geweest? En geen bombardementen? Kennelijk niet. Als hier bommen waren gevallen, zou het oude hout van al die vakwerkhuizen gefikt hebben als een tierelier en zou er niets zijn overgebleven van die toeristische goudmijn.

Er vloeit veel bier in Celle.

Zelfs de joodse synagoge heeft de oorlog overleefd en staat erbij alsof er in 1938 geen Kristallnacht is geweest. De nazi’s vielen toen in heel Duitsland joden en joodse bezittingen aan: huizen, scholen, winkels, bedrijven, begraafplaatsen en ziekenhuizen. Er werden 1600 synagogen in brand gestoken en gesloopt. De brandweer mocht niet blussen. Heeft Celle niet meegedaan aan dat gruwelijke pogrom? Zeker wel, lees ik in Wikipedia. Het godshuis werd bewerkt met bijlen. Twaalf torah rollen en andere heilige voorwerpen werden op straat gegooid, maar de synagoge werd niet in brand gestoken omdat ‘het de omliggende (historische) panden zou hebben beschadigd’.

Mijn virtuele reis brengt meer gepieker dan plezier. En waarom kom ik altijd weer terecht in die oorlogsjaren? Nou ja, in Frankrijk valt er niet aan te ontkomen. Daar staat in elk dorp of stad een pontificaal monument voor de gesneuvelde soldaten. Daar lonken de slagvelden naar de toeristen. Maar Duitsland doet er het zwijgen toe, heeft de lippen stevig op elkaar geklemd, alsof er niets is gebeurd. Is er niets gebeurd in Celle of is het weggepoetst?

De receptie van hotel Fürstenhof informeert of ik nog gebruik wil maken van het restaurant. Ik stem toe, hoewel in je eentje dineren nooit een feestje is. Maar nu hoef ik niet de stad in en ben ik snel weer terug op mijn kamer. Ik heb nog heel wat vragen voor mijn laptop en mijn Leysieffer koffiemachine houdt me wel wakker. Ik ben heel nieuwsgierig.

Vervolg: 4. Wilde beesten in het bos.

 

4. Wilde beesten in het bos

5 mei 2021

Ik sta op met een gruwelijke kater, niet van dat ene glaasje wijn bij het diner, maar van alles wat ik gisteravond op Google heb gelezen over het gebied waar ik nu op vakantie ben: de Lüneburger Heide. Ik wil geen nacht langer blijven in Celle, hoe aardig ze ook voor me zijn in hotel Fürstenhof. Ik schaam me diep voor mijn onnozelheid en onwetendheid. Ik heb me namelijk nooit gerealiseerd dat het grootste en ellendigste concentratiekamp van Duitsland hier in de buurt lag. In 1961 niet en ook nu weer niet. Celle is niet langer a place to be, maar een plaats om zo snel mogelijk te verlaten.

Celle in vogelvlucht.

Hoe kan ik nog langer hier in alle comfort slapen als op korte afstand onnoemelijk en godgeklaagd is gemoord en geleden? Celle. Waar ik geen enkele verwijzing heb gezien naar die gruwelplek. In de kranten uit 1945 die ik gisteravond doorbladerde heette het kamp nog gewoon ‘kamp Celle’ maar binnen de kortste keren was die naam al weggepoetst. Twee onbeduidende plaatsjes even verderop gingen hun naam lenen aan die helse plek: Bergen en Belsen. De Celler middenstand wist van wanten om zijn inkomsten veilig te stellen. Celle mocht niet geassocieerd worden met oorlogsmisdaden. Dat zou de toeristen afschrikken.

Ik wil er juist wel naar toe, naar Bergen-Belsen, al is er niets meer van over. Ik wil de plek voelen. De kou bijvoorbeeld alleen al. Op onze schietoefening van 1961 hadden we comfortabele slaapzakken – volgens mijn slapie Michel Kist het enige uitrustingsstuk dat er mee door kon -, maar werden we desondanks klappertandend wakker. Hoe moet die koude gevoeld hebben als je geen vlees meer op je botten had, geen eten in je maag, geen bloed in je lijf, geen hoop in je ogen? Na het googelen van gisteravond voelt hotel Fürstenhof niet prettig meer. ‘Entschuldigung’, mompel ik bij de receptie, ‘maar de plannen zijn veranderd’.

Sinds gisteravond begrijp ik wat zich hier aan het einde van de oorlog heeft afgespeeld. Celle zat in de tang van de oprukkende legers vanuit het oosten en zuidwesten. Duizenden burgers en militairen waren op de vlucht geslagen voor het aanstormende geweld. Ze werden op een steeds kleiner stuk grond samengeperst. Vanaf de Lüneburger Heide tot aan de Oostzee wemelde het van de daklozen, de vluchtelingen, de onderduikers en geboefte. Alle illusies waren hen ontnomen. Ze hadden nog één hoop: niet in handen te vallen van het barbaarse Rode Leger.

Heinrich Himmler en Adolf Hitler.

Adolf Hitler in zijn ondergronds bunker wist van geen opgeven. Zijn trouwe dienaar Heinrich Himmler, de Reichsführer-SS, aanvoerder van 910.000 meedogenloze Waffen-SS’ers en van (op papier) bijna 2 miljoen leden van de Allgemeine-SS, geloofde er niet meer in. Hij was ondergedoken op het platteland, druk in de weer om zijn hachje te redden. In het diepste geheim bood hij de geallieerde legers vredesbesprekingen aan in ruil voor zijn leven en met als wisselgeld het lot van de tienduizenden gevangen in de concentratiekampen. Hoe vreselijk die eraan toe waren mocht natuurlijk niet bekend worden. Himmler gaf opdracht de concentratiekampen zoveel mogelijk te ontruimen, de gevangenen weg te voeren, de lijken weg te werken.

Dit bevel veroorzaakte nog meer leed in de concentratiekampen en nog meer drukte in het laatste stukje Derde Rijk. Per trein, per schip maar vaak ook te voet werden de gevangen in noordelijke richting afgevoerd. Voor velen betekende dit een inspanning te veel. Vooral zij die moesten lopen stierven bij bosjes.

Tyfus brengt nog meer leed onder de gevangenen.

Een van de concentratiekampen waarop de alsmaar oprukkende westerse legers zeer binnenkort zouden stuiten lag in de omgeving van de stad Celle. De toestand daar was verschrikkelijk. De gevangenen hadden geen eten en geen drinken meer. En er was tyfus uitgebroken. De kampbewoners stierven als ratten. De lijken stapelden zich op. Doden en levenden lagen dikwijls naast elkaar, tegen elkaar. Wie geen tyfus had moest op transport.

Een overlevende: “Waarheen werd niet verteld. Ongeveer 200 man moest aantreden, waaronder ik. We mochten alleen meenemen wat we konden dragen, dus dekenrol, een koffertje en een broodzak. Onze lijdenstocht begon met een geforceerde mars van 10 km naar het station van Celle. Daar stond een goederentrein met ongeveer 40 wagons. Er kwamen nog zo’n 2000 Hongaren en Polen bij ons. De volgende morgen moesten we de veewagens in, 60 man per wagon. Om ongeveer 11 uur ’s ochtends – de juiste tijd weet ik niet omdat ik mijn horloge verkocht had voor een stuk brood – begon onze tocht die erger is dan ik kan beschrijven. Zes dagen hadden wij niets te eten of te drinken.”

De SS’ers wisten niet waar ze heen moesten met al die gevangenen. Dat had Himmler er niet bij verteld. De trein reed wanhopig van hot naar daar maar een ontsnappingsroute konden ze niet vinden. Dan maar de Elbe in met die trein. En de 8000 inzittenden. Maar al dat gemanoeuvreer van die lange trein had de argwaan gewekt van Amerikaanse verkenners en juist op tijd doken er Amerikaanse tanks op bij de rivier. De SS’ers gooiden meteen hun wapens neer en gingen op de loop. De gevangen werden gered.

Het station van Celle na het bombardement.

Een soortgelijke trein, dit keer met 3400 gevangenen in open veewagons, stond met pech op het rangeerstation van Celle naast een munitietrein, toen 132 Amerikaanse bommenwerpers opdoken om de spoorlijnen onklaar te maken. In 50 minuten tijd dropten de Amerikanen 240 ton aan bommen. Zowel de trein met gevangenen als de trein met munitie werden geraakt. Zo’n 500 gevangenen kwamen om het leven. Wie kon sprong uit de wagons en rende weg, de stad in of naar het bos. Na het bombardement kwamen de SS’ers tevoorschijn uit hun schuilplaatsen om alle gevangenen bijeen te drijven en te voet naar het volgende concentratiekamp te jagen. Wie van de uitgeputte gevangenen het tempo niet kon bijhouden werd doodgeschoten.

Nazidemonstratie in Celle.

Niet alle gevangenen werden gevonden. Die hielden zich schuil in het nabijgelegen bos, het Neustädter Holz of in de verlaten tuinen en schuren van de Cellenaren, die in de schuilkelders zaten. De volgende morgen organiseerde de plaatselijke legercommandant samen met andere SS-eenheid een klopjacht, waaraan ook politie, brandweerlieden, mannen van de Volkssturm, Hitlerjugend en ook burgers van Celle enthousiast deelnamen. Het gerucht werd verspreid dat de ontsnapte gevangenen deels gewapend waren en aan het plunderen waren geslagen – een vrijbrief om hen op de vlucht dood te schieten. Dat was het startschot voor een gruwelijke slachtpartij, die bekend zou worden als de ‘Celler Hasenjagd’. Met menselijke ketens werden de ontsnapte gevangenen opgedreven als bij een jacht op wild. Wie probeerde te ontsnappen werd onmiddellijk doodgeschoten. Hoeveel dat er waren is niet bekend, zo’n 170, waarschijnlijk meer.

De gevangenen die de jacht hadden overleefd werden opgesloten in een geïmproviseerd kamp op een kazerneterrein bij Celle en verder aan hun lot overgelaten. Ze waren er vreselijk aan toe, hadden dagen niet gegeten, waren opgejaagd door een groep moordenaars, hadden heel even de vrijheid geproefd, waren uitgeput en gebroken.

Het Neustädter Holz bij Celle.

Nog nooit heb ik me zo ellendig gevoeld als op deze virtuele vakantiereis. Het lucht me op als mijn Citroën Picasso braaf aanslaat, het display met al zijn metertjes oplicht en we samen de stad Celle kunnen uitrijden. Er is nog wel een monument voor de slachtoffers van de Hasenjagd, maar het stamt pas uit 1992 en lijkt me daarom geen spontaan en oprecht statement. Veel liever ga ik nog even op zoek naar het Neustädter Holz, amper een paar minuten rijden vanaf het hotel. Ik herken het meteen. Het is het bos waar Michel en ik de stilte hoorden jammeren en ik weet nu waarom.

Verder: 5. De ontdekking van Bergen-Belsen.

 

5. De ontdekking van de hel

5 mei 2021

Het is een ritje van amper 30 minuten naar de Lokheide en de herdenkingsplaats Bergen-Belsen. De richting is pal noord via een rustige landelijke weg met hier en daar een boerenhoeve, een ommuurde kazerne en landbouwindustrie. Het is ook de weg waarover de uitgeputte, wanhopige ‘hazen’ in een moordend tempo naar hun eindbestemming werden gejaagd . Op de voet gevolgd door de oprukkende geallieerde legers.

Gevangenen worden opgedreven.

Het bevel van Reichsführer-SS Heinrich Himmler dat de gevangenen in de concentratiekampen niet in handen van de geallieerden mochten vallen was niet langer uitvoerbaar. De volle treintransporten en de dagenlange dodenmarsen konden geen uitweg vinden, de crematoria konden de toevoer niet aan. In het overbevolkte kamp Bergen-Belsen kwam er nog een vijand bij, nog angstaanjagender dan alle andere: een tyfusepidemie in het overvolle concentratiekamp Bergen-Belsen. Besmettelijke ziekten maakten de nazi’s panisch. Himmler gaf liever een van zijn gruwelijke geheimen prijs dan in zo’n besmet gebied te moeten vechten en verordonneerde twee officieren contact te zoeken met de Britten om het kamp Bergen-Belsen aan hen over te dragen. Dat lukte. Er werd een plaatselijke wapenstilstand afgesproken en een gebied van zo’n 48 km2  werd neutraal verklaard. De Duitsers verplichtten zich op alle toegangswegen borden te plaatsen met de waarschuwing ‘Gevaar – Tyfus’. In het kamp veranderde niets, behalve dat het merendeel van de SS-bewakers er geruisloos vandoor ging.

Britse troepen trekken Celle binnen.

De stad Celle, waar ze toch graag naar de vuurwapens grepen, gaf zich zonder een schot te lossen over aan de Britse troepen en wist zo zijn fraaie vakwerkhuizen te sparen. De overwinningsstemming bij de Britten veranderde abrupt toen ze het kamp vonden met de overlevenden van de Celler Hazenjacht: honderden mensen, die geheel aan hun lot waren overgelaten, geen voedsel en geen water hadden, stervende waren en ook al dood. Het was de eerste keer dat ze een groot aantal slachtoffers van de concentratiekampen zagen.

De Britten ontploften bijna van razernij. Ze richtten onmiddellijk een noodhospitaal in voor de 162 gevangenen, die het ergst aan toe waren, en ze ronselden de weldoorvoede Cellenaren om hen te verplegen, te wassen en fatsoenlijk te kleden. Anderen werden gedwongen het kamp schoon te maken. De Britten waren woedend op de huichelachtige Cellenaren en dat heeft vele jaren geduurd. Die woede was wederzijds merkten Michel en ik toen we er in 1961 in militaire uniform een kopje koffie wilden drinken, maar weggestuurd werden door de uitbater – oud genoeg om deelnemer te zijn geweest aan de Hazenjacht.

Ik bereik het plaatsje Belsen. Slechts 400 inwoners, niet in verhouding tot zijn naamsbekendheid. Ik ben er bijna, moet hier linksaf slaan. Dan is het nog twee kilometer. Het is hier kaal en winderig. Ik huiver nu al.

De bevrijders vonden een kamp barstens vol met gevangenen.

Dat er in de buurt van Celle een veel groter kamp was ontdekten de Britten pas drie dagen later, op zondagmiddag 15 april 1945. Een aantal officieren betrad Bergen-Belsen, opgewacht door de kampcommandant en een kleine groep SS ‘ers, maar pas toen ze in het kamp zelf kwamen drong de onmenselijke aard van de plek tot het door. Eén van de Britten: “Er was geen geluid of teken van leven. De gevangenen glimlachten zelfs niet, ze lagen daar een staarden ons aan.” Een andere Brit: “We waren getrainde soldaten. We hadden sinds D-day heel wat gezien. Maar wat we hier zagen, daar waren we niet voor opgeleid. Het was zo vreselijk”.

Het kamp zat barstensvol met gevangenen, 60.000 maar liefst. De omstandigheden waren verschrikkelijk. De gevangenen waren gewoon aan hun lot overgelaten. Er waren nauwelijks britsen, er waren geen sanitaire voorzieningen, geen waterkranen, geen toiletten. Er was ook geen eten. De SS’ers lieten de mensen gewoon creperen. Een tyfusepidemie deed de rest. De gevangenen stierven bij bosjes. Het crematorium kon al die lijken niet aan. In de afgelopen dagen waren de SS’ers bezig geweest zoveel mogelijk lijken weg te werken.  Ze lagen overal. Tweeduizend gevangenen werden ingezet om de lijken weg te slepen naar grote, open kuilen. Massagraven. Zonder rustpauzen en onder de meedogenloze zweepslagen van de SS’ers sleepten ze de lijken voort aan hun ledematen, terwijl de gevangenenkapel op last van de kampcommandant dansmuziek speelde ‘om de stemming te verhogen’. Naar schatting werden op deze manier 17.000 lichamen gedumpt in massagraven.

Een van de vele massagraven.

De Britse bevrijders wisten niet wat ze zagen. Al die doden. Al die half levende skeletten, die apathische blikken, die holle ogen, die luizen overal, die smekende handen om water en voedsel. En dan die vreselijke stank tot in de wijde omgeving. De stemming bij de Britse bevrijders sloeg om van triomf naar verbijstering, woede en wraak. Ze sloegen onmiddellijk alarm. Er moesten onmiddellijk voedselrantsoenen en water aangevoerd worden. Medische voorzieningen. Een noodhospitaal. Bedden. Ziekenhuispersoneel. Duitse artsen, verpleegsters en anderen uit de nabije omgeving werden gedwongen de gevangenen te ontsmetten, te douchen, fatsoenlijk te kleden en te verzorgen. Britse cameraploegen en fotografen legden de verschrikkelijke beelden vast voor de hele wereld en voor de geschiedenis. Zodat deze misdaad nooit en te nimmer kon worden ontkend.

Met de hand ging het niet meer.

De achtergebleven SS’ers werden gedwongen de lijken naar massagraven te slepen. Toen dat te langzaam ging kwamen er bulldozers aan te pas. Ook dit werd vastgelegd door de camera’s. Gruwelijk en aangrijpend om te zien hoe een huilende Britse militair met zijn shovel tientallen vermagerde lijken voor zich uit schoof en dumpte in een grote diepe kuil bovenop honderden andere lijken. Naar schatting werden op deze manier in twee weken tijd 15 tot 20 duizend doden in volstrekte anonimiteit begraven in massagraven.

Gedenksteen voor Margot en Anne Frank uit Amsterdam.

Ondanks deze radicale aanpak van de tyfusepidemie stierven na hun bevrijding nog zo’n 14.000 gevangenen aan ziektes, van uitputting of omdat hun lichamen geen voedsel meer konden verwerken. Vanaf 1943, toen de SS de leiding van Bergen-Belsen overnam, overleefden 50.000 gevangenen het kamp niet. Onder hen twee joodse zusjes uit Amsterdam: Margot en Anne Frank, 19 en 15  jaar oud.

En nu sta ik voor de ingang van het kamp, althans bij de toegang van de plek waar het kamp heeft gestaan. Nadat alle nog levenden uit het kamp waren geëvacueerd staken de Britten alle barakken in brand om een definitief einde te maken aan de tyfusepidemie. Wat rest is een wijde leegte van gras en tegels, dunne rijtjes berkenbomen en treurige haagjes van struiken. De wind glijdt traag langs als een kille slang. Witte wolken vluchten naar de einder. Wat ik voel is godverlaten leegte. Godgeklaagde verlatenheid.

De ingang van de gedenkplaats.

Een groot grijs gebouw herbergt een herinneringscentrum. Ik ga niet naar binnen. Google heeft me genoeg gruwelijke beelden laten zien. Nog meer en op deze plek kan ik niet aan. Achter het gebouw lag vroeger het kamp. Nu een uitgestrekt landschap met hier en daar glooiende heuvels. Op een steen lees ik: Hier rusten 5000 doden’. Vijfduizend. Niet te bevatten. Verderop meer heuvels met immense getallen: 2000, 5000, 1000 doden. Er zijn elf van dit soort massagraven. Waarschijnlijk zijn er nog meer. Een aantal jaren geleden werd nog een grafkuil van 16 x 4 meter gevonden.

Er is heel veel te zien. Veel herdenkingsstenen geplaatst door vrienden en familieleden. En een grote obelisk, in 1952 opgericht door de Britten, waar ieder jaar op 15 april de bevrijding van het kamp wordt herdacht. Ik doe het liever in m’n eentje. Wie hier ooit naar toe was gebracht was overgeleverd aan z’n eentje. Ik dwaal rond maar hoe lang ook ik kan me geen voorstelling maken van wat hier is gebeurd.

Ansichtkaart uit Bergen-Belsen.

Met zekere opluchting verlaat ik de herdenkingsplaats. Ik ben toe aan iets heel anders, een hap frisse heidelucht bijvoorbeeld, een concert, een tenniswedstrijd, als het maar van nu is en niet grijs is. Ik rijd richting Lüneburg, de stad waar ik als militair in 1961 ook gepassagierd heb, maar al na een vier kilometer springt het verleden weer op me af. Ik passeer het laadstation waar de gevangenen van de nazi’s uit hun treinen werden afgezet en naar Bergen-Belsen moesten lopen. Het blijkt ook de plek te zijn waar de kanonnen van onze veldartillerie uitgeladen werden voor de oefening op de Lüneburger Heide. Waarom ontdek ik dat nu pas? Waarom vond niemand het de moeite waard mij te vertellen dat ook de zusjes Frank werden uitgeladen voor hun laatste voettocht? Ik schaam me opnieuw voor mijn onwetendheid en onnozelheid.

Verder: 6. In het voetspoor van Montgomery.

6. In Monty’s voetspoor

5 mei 2021

Ik kies voor het Dormero hotel in de oude binnenstad van Lüneburg en neem een suite van 45 m2 , met een groot bed, een kingsize flatscreen-tv en uitzicht op de rivier. Op de oever staat de oude houten hijskraan, die ik me nog goed herinner van mijn eerdere bezoek. Toen sliep ik in een tentje op de harde heidegrond en zou € 140 voor één overnachting onoverkomelijk zijn geweest. Nu zit ik in een prachtig handelsgebouw uit de 16de eeuw met een  zeer comfortabele suite, een parkeerplaats voor mijn Picasso, toegang tot de fitnessruimte en de sauna en ligt het oude hart van Lübeck om de hoek. Ik heb voor twee nachten geboekt want ik in Lüneburg heel wat te doen. Ik wil kijken wat ik me nog meer van deze stad herinner, ik wil een oude foto situeren, ik wil fietsen over de Lüneburger Heide, ik wil een selfie maken in Reppenstedt, ik wil naar de Elbe rijden, de voormalige Duits-Duitse grens, maar allereerst wil ik nu een snelle hap en een slappe film op mijn tv om de gruwelbeelden van Bergen-Belsen uit mijn hoofd te jagen.

De oude haven van Lüneburg met links het Kaufhaus, nu een luxe hotel.

De volgende ochtend meld ik mij fris en vrolijk bij de vriendelijke dame van de receptie. Ze heet Monika volgens de badge op haar borst. Ik vraag waar ik een fiets kan huren – ‘Bij het station’ – en schuif haar dan het fotootje toe dat ik in 1961 maakte, toen we passagierden in waarschijnlijk Lüneburg: een jongetje van een jaar of 10, dat spontaan voor mij salueerde. Een leuk moment. ‘Herkent u deze plek’, vraag ik.
‘Zeker’, zegt Monika onmiddellijk, ‘dat is het Rathaus van Lüneburg. Was u hier eerder?’
‘Ja, zestig jaar geleden’.
Ze bekijkt het fotootje met hernieuwde interesse. ‘Er is niet veel veranderd in al die tijd’.
‘Alleen het jongetje. Kent u hem misschien?’
Stomme vraag natuurlijk. Monika is niet ouder dan 30. Hoe zou ze dat knulletje kunnen herkennen? Ze schuift het fotootje met een glimlach terug. ‘Helaas. Het is wel een leuk ventje.’

Een jongetje salueerde voor mij in 1961.

Het is allemaal op loopafstand, het Rathaus, het station, de oude haven. Inderdaad is er niet veel veranderd bij het Rathaus en het lukt me na wat passen en meten precies dezelfde foto te maken als toen, maar zonder jongetje dus. Het was een leuk moment, want het gebeurde niet vaak dat je in uniform sympathie opriep. Het raadhuis heeft een rijk versierde witte voorgevel, rode dakpannen en een klokkentoren.

Het Rathaus van Lüneburg. Het jongetje is verdwenen.

De stad is meer dan duizend jaar oud maar maakt een frisse, jonge indruk. Hier geen hertjesromantiek als in Celle, maar ingetogen, smaakvolle architectuur met als hoogtepunt Am Sande, een groot plein, 275 meter lang en 40 meter breed, omgeven door prachtige patriciërshuizen met puntgevels en opgetrokken met dieporanje bakstenen en spierwitte cement. ‘Verbazingwekkend mooi’, vond Michel, mijn slapie. Lüneburg dankte zijn welvaart aan zijn zoutmijnen, die goud waren in een tijd, waarin wel vis en vlees bestonden maar nog geen koelkasten. In mijn hotel, vroeger een Kaufhaus, werd haring uit Scandinavië ingezouten en opgeslagen. Met de houten kraan voor de deur werd de vis in- en uitgeladen. Ik plof daar neer op een van de terrassen aan de haven, ongeveer op de plek waar in 1961 de wachtmeester Bos zat te mokken achter een leeg glas bier.

Waarom de wachtmeester persé mee moest toen we voor de tweede keer gingen  passagieren is me nooit duidelijk geworden, maar duidelijk was dat het zeer tegen zijn zin was. Michel en ik schoven bij hem aan om hem eens flink te jennen.
‘Wachtmeester, is het veilig hier’, vroeg ik.
Bos hapte meteen. ‘Nee, natuurlijk niet’, barstte hij los. ‘We zitten hier ruim binnen schootsafstand.’ Hij had het warm. Zijn pet lag voor hem op tafel en er stonden zweetdruppels op zijn dunne rode haren. Zijn blik was voortdurend op het oosten gericht.
‘Schootsafstand van wie’, wilde Michel weten.
‘Van de Russen natuurlijk. Wie zou er anders op ons willen schieten’, schamperde Bos. Hij depte zijn voorhoofd met zijn legerkleurige zakdoek.
‘Waar zitten die Russen dan’, informeerde ik. Bos antwoordde met een vernietigende blik.
‘Ooit van de Elbe gehoord?’
‘Rivier in Duitsland.’
‘Grensrivier in Duitsland’, corrigeerde hij. ‘En hoe ver is de Elbe hier vandaan?’
‘Zo’n twintig kilometer?’
‘Minder. En hoever schiet een Russische houwitser?’
‘Meer?’
‘Veel meer!’
Verontwaardigd zette Bos het lege bierglas aan zijn mond, slikte het restantje naar binnen en keek ons indringend aan.
‘De Russen zijn rotzakken en die Stalin vooral. Als het daar (knik naar het oosten) zo’n arbeidersparadijs is, waarom vlucht iedereen daar dan weg? Met een goeie kans dood geschoten te worden? Omdat ze daar verrekken van de honger. Omdat het daar terreur is en dwangarbeid. Maar jullie lezen geen kranten, want jullie weten natuurlijk alles al’.
Uitkijken nu, seinde ik naar Michel: wachtmeester Bos begon pissig te worden. Wij hielden onze monden, maar Bos ging door. ‘En ik ben maar een dom wachtmeestertje, die alleen maar plaatjes kan kijken. Maar zelfs als je alleen maar plaatjes kijkt, moet je snappen wat die rot-communisten van plan zijn. Op die plaatjes zie ik lange rijen voor de winkels, geen brood te vinden, lege schappen, broodmagere koppen, druipend van het chagrijn, nergens een lachje. Mooi paradijs is dat!’
‘Een biertje van ons, wachtmeester?, probeer ik om te blussen.
‘Waarom denk je dat ik in dit klote uniform gekropen ben? En dat ik met jongetjes als julllie op zo’n klote schoolreisje moet? Toch niet voor mijn eigen lol, hè?’
Hij kijkt ons beiden beurtelings aan. Wanhoop en onbegrip zwemmen in zijn varkensogen.
‘Kom maar op met dat biertje en donder dan op’, zegt hij. We bestellen een biertje voor hem en laten hem alleen achter op het terras, als een droeve oude hond.

De koude oorlog escaleert. De Berlijnse Muur wordt gebouwd.

Een paar maanden later zou de wachtmeester een beetje gelijk krijgen. De Berlijnse muur werd opgetrokken met onwrikbare betonblokken, kilometers prikkeldraad, uitzichttorens en bemand met soldaten die met scherp moesten schieten op iedereen die ongevraagd wilde passeren. Een nieuw hoogtepunt in de Koude Oorlog. Het Westen schrok zich een hoedje. De NATO-legers werden in verhoogde paraatheid gebracht. Mijn diensttijd werd verlengd met twee maanden.

Nee, ik wil beslist geen helm, hoezeer de fietsverhuurder ook aandringt. Reppenstedt vindt hij geen goed idee en ik ga hem niet uitleggen waarom ik daar een selfie wil maken. ‘Saai en lelijk’, zegt de man. Dan heeft het vast niets met mijn familie te maken, beslis ik. ‘En de Timeloberg dan’, informeer ik. Die bestemming krijgt de zegen van de verhuurder. ‘Ja, dat is veel beter en veel mooier’, zegt hij instemmend.

Valleri, vallera, und juchheirassa, und juchheirassa! In jubelstemming fiets ik de Ostheide op. Een frisse wind geeft me een duwtje in de rug. Eindelijk beleef ik de Lüneburger Heide van haar vreedzame kant. Wind, witte wolken, wijdheid.
Auf der Lüneburger Heide, In dem wunderschönen Land, Ging ich auf und ging ich unter, Allerlei am Weg ich fand.
Dat lied zit vast in mijn hoofd sinds ik gisteravond op mijn hotelkamer een film heb liggen kijken, die in de jaren ’50 in heel Duitsland een groot succes was: Grün ist der Heide. Een zogenaamde Heimatfilm, die ook bij de nazi’s in trek waren omdat ze het eigen land en de arische ziel verheerlijkten tegen een romantisch décor, in dit geval de Lüneburger Heide. Het ging over de dochter van een stroper en de zoon van de jachtopziener en werd gelardeerd met sentimentele muziek als Blümlein blau, im Morgentau en het hela-hola van Auf der Lüneburger Heide. Valleri, vallera, und juchheirassa, und juchheirassa! Ik raak het niet kwijt.

In Montgomery’s hoofdkwartier te velde wordt de capitulatie getekend.

De klim naar de Timeloberg is nauwelijks een klim te noemen en de berg geen berg. Een langzaam stijgend zandpad langs velden en opschot. Maar dan ligt ie daar, op de grond: de gedenksteen. ‘Kapitulation/ Auf Der Timeloberg / 1945 4 Mai 1995 / Nie Wieder Krieg.’ Wauw! Ik stal mijn huurfiets op de plek waar de Wehrmacht zich overgaf aan het Brits-Canadese leger van veldmaarschalk Bernard Montgomery en probeer die grootse gebeurtenis op me te laten inwerken. Dat lukt niet erg. Het is een plek van niks, terwijl Montgomery toch iets heel indrukwekkends voor ogen had. Hij wilde een Victory Hill, een verheven plek, een zegevierend veldheer waardig. Er kon niets beters gevonden worden dan deze molshoop. Wel kon Montgomery er nog plezier aan beleven dat de Duitse generaals een flinke afstand door het heidezand moesten ploeteren voordat ze de drie caravans van zijn ‘hoofdkwartier te velde’ hadden bereikt.

De foto’s en filmbeelden van de Monty-show werden bekeken in de hele wereld. Zijn troepen, het thuisfront, Nederland en een groot deel van Europa, die het alle zo zwaar hadden  gehad, konden trots en uitgelaten zijn. En dat waren ze ook. Moeder zette met trots de rood-wit-blauw-oranje baret op, die ze heimelijk voor mij had genaaid. En een vlag die ik nooit eerder had gezien, ging uit.

Een kei markeert de historische plek.De historische plek deelde niet in de feestvreugde. Er schoten berkenboompjes en ander onkruid op. Pas in 1995 kwam er een markering. Een kei met opschrift.

Vervolg: 7. Moorden tot het laatste moment

7. Moorden tot het laatst

5 mei 2021

Voor mij was het einde van de oorlog een heerlijk feest. Mijn moeder zette die prachtige rood-wit-blauw-oranje baret op mijn hoofd. Mijn broer juichte de Canadese bevrijders toe en kreeg prompt een handjevol sigaretten. Mijn vader snoof er verheerlijkt aan en ging er eens goed voor zitten. Overal wapperden vlaggen en overal scheen de zon. Maar hoe was het als het einde van de oorlog geen bevrijding was maar bezetting? Hoe heeft het gevoeld toen vijandelijke, wraakzuchtige troepen met angstaanjagend veel kabaal jouw stad binnen ratelden? Deze stad bijvoorbeeld, Lüneburg. Hoe waren hier de laatste weken van de oorlog?

Het bevalt me wel in Lüneburg.

Lüneburg barstte bijna uit zijn voegen. De naderende legers joegen duizenden vluchtelingen voor zich uit. Een half jaar geleden telde de stad 39.000 bewoners, nu waren het er 65.000. Er was geen eten en drinken. De Amerikaanse luchtmacht bombardeerde naar hartenlust stations en goederentreinen. Dat Reichsführer-SS  Heinrich Himmler goederentreinen gebruikte om de gevangenen uit zijn concentratiekampen te laten verdwijnen, was niet bekend bij de geallieerden. Op 7 april was Lüneburg aan de beurt. Op het station stond een lange trein met goederen voor de Wehrmacht, plus vier aangekoppelde veewagons met 400 gevangenen, meer dood dan levend. Ze waren al vier dagen onderweg zonder eten en drinken.

De Amerikaanse bommen troffen zowel de goederenwagons als de veewagens. Tientallen gevangenen werden gedood. Wie nog kracht en moed had, probeerde uit de verwoeste wagons weg te komen en te ontsnappen. Nadat de Amerikanen waren vertrokken, zette de SS een klopjacht en dreven hen naar een veld bij de spoorlijn. Een deel, 140 man, werd de in twee vrachtwagens gepropt en naar Bergen-Belsen gebracht. Tachtig – de zwaksten – bleven achter en werden op bevel van de SS afgemaakt, de meesten door een nekschot, bij de rest werd de schedel ingeslagen. Russische dwangarbeiders moesten de lichamen naar de Tiergarten slepen, een bos naast het spoor, en daar in een massagraf werpen. Zand erover.

Het veld naast de spoorlijn waar de massamoord gebeurde.

Een week later trokken de Britse troepen Lüneburg binnen. De uitgeputte stad had zich overgegeven aan het leger van Montgomery. De Britten waren ziedend. Ze hadden net Bergen-Belsen meegemaakt en kookten nog van woede. Ze raasden door naar het noorden voor de definitieve knock-out.

De SS bleef ondertussen maar bezig zijn tienduizenden gevangenen weg te werken. Het werd steeds moeilijker buiten bereik van de geallieerden te blijven. En noordelijker dan Lübeck aan de Oostzee kon niet, zou je denken, maar kon wel. In Lübeck werden ze overgezet naar twee schepen die in de baai voor anker lagen: de Cap Arcona en het vrachtschip Thielbeck. De Cap Arcona was een trots passagiersschip, 330 meter lang en vol gestouwd met luxe. Het was onlangs nog gebruikt als decor voor de nazi-propagandafilm Titanic. Nu hadden de twee kapiteins van de SS te horen gekregen dat hun schepen nodig waren voor een speciale operatie. Protesteren had geen zin. Er kwamen in totaal 7.500 gevangenen aan boord van de twee schepen. De SS sloopte alle luxe, blokkeerde de nooduitgangen, maakte de reddingssloepen onklaar en verwijderde de tussenschotten van het schip. Met een minimale hoeveelheid brandstof werden de twee schepen de baai ingestuurd.

De trotse Cap Arcona.

Ondertussen probeerde Himmler zijn gevangenen te ruilen voor immuniteit en vredesonderhandelingen. Maar de geallieerden toonden geen enkele interesse voor een schurk als hij. Alleen het Zweedse Rode Kruis wilde praten, maar uitsluitend over de vrijlating van Scandinavische gevangenen, hetgeen Himmler als vertoon van zijn macht en van zijn goede wil ook werkelijk regelde. Twintigduizend gevangenen uit de kampen werden naar Zweden gebracht. Hitler – in zijn bunker in het benarde Berlijn ontplofte van woede toen hij hoorde van Himmlers onderhandelingen. Hij was verbijsterd dat ‘de trouwste onder de getrouwen’ over capitulatie had durven praten en ‘het schandelijkste verraad uit de hele geschiedenis’ had gepleegd. Hij ontsloeg Himmler onmiddellijk uit al zijn functies en gaf opdracht hem te arresteren. Maar ja, waar was Himmler en wie zou hem moeten arresteren?

Enkele dagen later, op 30 april, pleegde Adolf Hitler zelfmoord. Het hoofd van de Kriegsmarine, Karl Dönitz, werd de nieuwe Führer. Hij zat niet in een bunker, maar op een oorlogsschip in de haven van Flensburg, nabij de grens met Denemarken en de open zee. Flensburg was een van de laatste stukjes van het Derde Rijk, die nog niet in handen waren gevallen van de geallieerden. Het krioelde er van de vluchtelingen. In een paar dagen was het aantal mensen in de marinestad verdubbeld tot meer dan 150.000. Onder hen honderden ‘ratten’, SS’ers die wilden vluchten om hun straf te ontlopen. Op 3 mei arriveerde de vetste rat van allemaal, Heinrich Himmler. Zijn konvooi omvatte limousines en autobussen vol voorraden, geld en goud en een staf van zo’n 150 getrouwen. Himmler maakte meteen zijn opwachting bij de nieuwe Führer. Dönitz moest niets van Himmler hebben, ‘eens een verrader, altijd een verrader’ en stuurde hem weg met het advies voorgoed onder te duiken.

De Cap Arcona gaat ten onder in de baai van Lübeck.

Op 3 mei verschenen Britse bommenwerpers boven de baai van Lübeck waar twee schepen volgepropt met kennelijk Duitse militairen probeerden te ontsnappen. De Cap Arcona werd geraakt door 64 raketten en stond in een mum van tijd van voor naar achteren in brand. De gevangenen benedendeks werden tegengehouden door de SS‘ers. Bovendeks kon slechts een enkele reddingsboot gestreken worden. Het schip zonk en nam het merendeel van de 2.800 gevangenen mee. Gevangenen die in het water wisten te springen, werden doodgeschoten vanaf schepen die toesnelden om SS’ers te redden. Wie de kust wist te bereiken werd alsnog doodgeschoten door SS’ers die hen daar opwachtten. De Thielbek zonk binnen 20 minuten. Reddingssloepen werden vanuit de vliegtuigen onder vuur genomen. Van de 2.800 gevangenen kwamen slechts 50 levend aan land. Van de Cap Arcona bracht 350 man het er levend af.

Een van hen was de Nederlander Wim Aloserij, die op het bovendek had weten te komen. ‘Ik zag al die ellende om me heen. Ik keek over de reling en dacht: Wim, niet duiken, dat overleef je niet. En toen zag ik een touw. Ik heb me laten zakken en in de ijskoude zee zag ik een leeg vletje. Op dat vlot ben ik met een paar mannen aan land gekomen.’ Een groot wonder.

De lichamen moesten opgegraven worden voor een fatsoenlijke begrafenis.

Ik rij de lange Tiergartenstrasse een paar keer op en af, maar ik kan nergens de gedenkplaats vinden voor de omgebrachte gevangenen, die probeerden de ontsnappen tijdens het bombardement. Ik snap wel dat Lüneburg niet graag pronkt met die moordpartij, maar een hele erebegraafplaats weg moffelen is nogal grotesk. Al vanaf het eerste moment heeft Lüneburg collectief gezwegen over de moordpartij, kennelijk in de hoop dat de Britse bezetters het massagraf niet zouden ontdekken. Maar de ontdekking van Bergen-Belsen had de Britten woedend en wraaklustig gemaakt. De vreselijke beelden uit dat concentratiekamp stonden nog steeds op hun netvlies. Ze reageerden dan ook furieus toen het massagraf wel werd ontdekt. Ze dwongen de plaatselijke nazi’s om de lijken op te graven, ze in doodskisten te leggen en ze op dezelfde plek waardig te begraven. De Britten zorgden ervoor dat er een sobere erebegraafplaats kwam. In zes lange rijen werden de kisten ter aarde besteld, aan de kop van iedere rij steeds een hoge zerk en in het midden een grote platte steen met de eufemistische tekst: Hier stierven op 7.4.1945 / 256 concentratiekampgevangenen.

De erebegraafplaats verscholen in het bos.

Bezoekers kwamen er nauwelijks. In 1956 werd de plek geëgaliseerd en vol gestouwd met rododendrons. Pas in de laatste jaren klonken verontwaardigde stemmen dat dit niet langer kon en werd in een traag tempo begonnen met het herstel van het monument. De reconstructie had in 2020 klaar moeten zijn maar daar kwam de corona-crisis tussen, verklaart de verantwoordelijke ambtenaar op het Rathaus. De erebegraafplaats bestaat dus nog wel. Het vraagt veel volharding om de plek midden tussen de bomen van een dicht dennenbos te vinden, maar het is uiteindelijk wel gelukt.

Een treinwagon als herinnering de oorlogsdaden in Lüneburg.

Makkelijker te vinden is het Wandrahmpark bij het Museum Lüneburg aan de Willy Brandt Strasse. Daar staat sinds enkele jaren net zo’n treinwagon als in het Nederlandse kamp Westerbork in dezelfde roodbruine kleur, netjes in de verf en met een trapje met leuning om het in- en uitstappen te vergemakkelijken. Witte letters op het bruin vermelden ‘Deutsche Reichsbahn’. Deze wagon is hier gekomen ‘ter nagedachtenis aan de oorlogsmisdaden in Lüneburg in april 1945’. Om hoeveel mensen het gaat wordt gezwegen. Wel heeft de club die de wagon heeft aangekocht en opgeknapt ook een brochure uitgegeven waarin wel de schrikbarende aantallen worden genoemd.

Vervolg: 8. Einde oefening

8. Einde oefening

5 mei 2021

Monika, de receptioniste van het fraaie Dormera hotel, heeft geen enkel bezwaar dat ik nog een nachtje langer in Lüneburg wil blijven. ‘Het bevalt u goed in onze stad’, constateert ze tevreden. De waarheid is dat ik veel tijd verloren heb met het zoeken naar de erebegraafplaats voor de ongelukkige slachtoffers van het bombardement. En ik wil nog een autotochtje maken in de omgeving. Niet naar de brede Elbe, zoals ik eerder van plan was, maar naar een veel kalmere rivier, de Oste. En vooraf maak ik nog een wandeling door de binnenstad van Lüneburg, die mij inderdaad goed bevalt.

Am Sande is een prachtige plek in Lüneburg.

We hadden al twee glazen bier op voordat we ontdekten dat ze hier Am Sand ook ons favoriete drankje hadden: rum-cola. En de rum werd met royale hand geschonken. Een prachtig zonnig plekje tegenover de St. Johanniskirche met zijn scheve toren. Ik stak nog eens een Golden Fiction op. Michel rolde een shagje met flinterdun rijstpapier. Het leven was verrukkelijk. We zaten onze Duitse marken op te maken, want de schietoefeningen zaten erop en morgen gingen we weer naar huis.

‘Zou jij in Duitsland willen wonen’, vroeg ik.
Michel keek me vernietigend aan. ‘In Moffrika?’
‘En kùnnen wonen’, vroeg ik verder.
‘O ja, in een landgoed met een ommuurde tuin, een zwembad met twaalf prachtige vrouwen en een butler die erover waakt dat er geen enkele Kartoffel Klösschen binnen de muren komt. Überhaupt geen Duits voedsel.’
‘Ik dacht dat je Duitse vrouwen vreselijk vindt?’
‘Eentje mag wel een Duitse zijn. Maar de rest niet. En jij? Zou jij in Duitsland kunnen wonen? Lekker met zo’n hoogblonde griet en dan een sliert van die uiterst beleefde kinderen in lederhosen?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Moffen hebben geen humor en moffinnen al helemaal niet’.
‘Wat maakt dat uit’, vond Michel. ‘Je kan toch niet de godganse dag lopen lachen? Die moffenvrouwen zijn trouwens echt niet mis. Wist je dat die SS’ers zoveel mogelijk vrouwen moesten neuken als ze maar arisch waren?’
Nee, dat wist ik niet.
‘En zonder kapotje natuurlijk.’

We genieten volop, ik en mijn zachtblauwe Citroën Picasso. De route naar de rivier de Oste voert door een verstild laag landschap met trage koeien, eenzame groepjes bomen, groene vergezichten en luie wolkenvelden. Na zeven kwartier ben ik in Bremervörde. Vanaf hier kronkelt de Oste bedaard naar de Oostzee, 150 kilometer verderop. Voor het stadje zelf hoef je zo’n rit niet te maken, wel als je een liefhebber van de watersport bent. Op de Oste en de nabije Vörder See kun je lekker aan tutten op het kalme water.

Waterpret in de Vörder See.

Maar ik ben gekomen voor de brug over de Oste. Niet veel aan te zien, wel veel betekend. Hier stonden kort na het einde van de oorlog Britse militairen voorbijgangers te controleren, met nog de gruwelijke beelden van Bergen-Belsen op hun netvlies. En nu hadden die SS-bastards zich verscholen in de massa ontheemden, die door Noordwest Duitsland trokken waren gestrand, en een van de ‘rattenlijnen’ probeerden te volgen. Een ‘rattenlijn’ liep via Italië, het Vaticaan of Spanje naar Zuid-Amerika. De noordelijke variant begon in Flensburg, waar vervalste papieren en nieuwe identiteiten klaarlagen, en daarna door naar Denemarken of het bezette Duitsland weer in.

Feldwebel Heinrich Hitzinger wil naar huis in München.

Op 23 mei 1945 om 5 uur ’s middags wilden drie mannen de brug oversteken; twee jongere en een wat oudere. De oudere man had een zwarte ooglap over zijn linkeroog. Anton Britton, sergeant bij de Britse inlichtingendienst, vond dat ze op SS’ers leken. De man met de ooglap zei dat hij uit Flensburg kwam en op weg was naar München. Hij toonde een voorlopig ontslagbewijs op naam van Feldwebel Heinrich Hitzinger uit München, die van september 1941 tot 30 april 1945 het Duitse leger ‘sehr gut’ had gediend en nu op weg was naar zijn woonplaats. De verklaring was bekrachtigd met twee stempelafdrukken. Britton vertrouwde het voor geen cent. Met soortgelijke ontslagbewijzen hadden al eerder SS’ers proberen weg te komen. Deze stempelafdrukken waren van dezelfde instantie. De drie mannen werden meteen gearresteerd. De volgenden morgen leverde Britton zijn arrestanten af op het hoofdkwartier van generaal Montgomery in Lüneburg.

Britton: ‘De volgende dag hoorde ik op de radio dat Himmler zelfmoord had gepleegd. Ik dacht toen: Ik wil wedden dat het die vent was. En dat was ook zo’.

Heinrich Himmler, architect van de Holocaust en aanstichter van talloze andere gruweldaden, was de enige top-nazi die nog vrij rondliep. Admiraal Karl Dönitz, de nieuwe Führer, had hem ontslagen en weggestuurd met het advies onder te duiken met een nieuwe identiteit. Als vriendelijk afscheidsgebaar bezorgde Dönitz hem een nieuwe naam en een vervalst ontslagbewijs, bekrachtigd met twee echte stempelafdrukken. Een Judaskus.

Himmler zoekt tevergeefs een uitweg.

Voor Himmler zat er niets anders op dan zijn snor af te scheren, een ooglap voor te doen en als de afgezwaaide Feldwebel Hitzinger proberen weg te komen. Met een groepje getrouwen trok hij behoedzaam zuidwaarts. Bij Bremervörde namen ze intrek in een boerderij om uit te vinden hoe ze zonder problemen het check-point bij de Oste konden passeren. De twee stempels van Dönitz verraadden hem. De drie mannen werden overgebracht naar een gevangenenkamp op de Lüneburger Heide. Daar wilden ze dringend de commandant spreken, een ongebruikelijk verzoek, dat desondanks wel werd ingewilligd.

Commandant Selvester: ‘De eerste man die mijn kantoor binnenkwam zag er klein, ziekelijk en sjofel uit, maar werd op de voet gevolgd door twee grote, stevige kerels. Ik merkte dat er iets vreemds aan de hand was en gaf bevel die twee kerels onder strenge bewaking te stellen en niet te laten praten met wie dan ook.  Nadat ze afgevoerd waren verwijderde de kleine man de lap, die hij over zijn linkeroog droeg, en zette een bril op. Ik wist meteen wie hij was. Hij zei op rustige toon: Heinrich Himmler.’

Op het Britse hoofdkwartier werd zijn identiteit onderzocht. Bij het medische onderzoek zag de arts iets zwarts zitten in Himmlers onderkaak, een glazen capsule. De arts probeerde het buisje te verwijderen maar Himmler beet op diens vinger en op de capsule. De arts brulde van pijn en schrik. Himmler werd op de grond gegooid. Iemand schreeuwde: De bastard heeft ons beet! De geur van cyaankali verspreidde zich door de ruimte. Een snel en sterk vergif. Ze probeerden zijn mond schoon te spoelen met water. Himmler kreunde en gromde diep en vervaarlijk. Ze trokken aan zijn tong om slikken te verhinderen. Niets hielp. ‘Het was een verloren strijd’, noteerde de arts in zijn dagboek. ‘Het beest blies zijn laatste adem uit om 23 uur 14.’ Van de dode Himmler werden foto’s gemaakt, autopsie gepleegd en hersenen verwijderd. De rest van het lichaam werd in het grootste geheim begraven op een onbekende plek op de Lüneburger Heide. Niemand weet waar.

Het beest heeft zijn laatste adem uitgeblazen.

Op de terugreis naar Lüneburg heb ik alle tijd om na te denken over hoe je Himmler had moeten straffen. De zwaarste straf, de doodstraf, is veel te mild voor iemand die de duivel naar de kroon stak wat wreedheid, sadisme, verachting, koele berekening en cynisme betreft. Het kwaad dat hij aanrichtte en de schaal waarop waren nog nooit vertoond in de geschiedenis van de mensheid. Zelfs zes miljoen keer de doodstraf zou nog onvoldoende zijn. En hoe straf je het land, dat dit ongekende kwaad toeliet, mogelijk maakte, erin mee ging en bejubelde? Dat is toch onmogelijk?

Mijn vakantie op de Lüneburger Heide is geen plezierreisje geweest. Wat er te zien is, is prachtig. Wat er gebeurd is, is meer dan verschrikkelijk. Dat mag nooit vergeten worden, dat mag zich nooit herhalen. Een uur of meer ronddwalen over het voormalige Bergen-Belsen mag geen vrijbrief zijn om het onvoorstelbare kwaad, dat zich hier openbaarde, weer gauw te vergeten.

Het kan ook regenen op de Lüneburger Heide.

Het had de hele nacht geregend. ‘Godverdomme’, vond wachtmeester Bos, ‘nou moet al die rotzooi kletsnat mee’. De heide zag er verkleumd en grauw uit. De jeneverbessen rilden onder hun dikke stekelvacht. De zandpaden stonden vol bruingeel water. Het kostte heel wat moeite om een fatsoenlijke kolonne te formeren. Ik had de pech dat ik achter het stuur moest van onze een-tonner, de rum-cola’s van gisteren ten spijt. Op de stoel naast mij kwam kornet Stegeman (‘valleri, vallera’) te zitten, die doorgaans in een jeep werd gereden. Kennelijk te weinig comfortabel bij dit weer.

Ik nam mij voor niet al te vriendelijk tegen hem te doen en joeg de een-tonner behoorlijk ruw over de bonkige heide en door de diepe plassen naar het verzamelpunt. Ik had meteen succes. ‘Jezus’, kermde hij, ‘zit ik in een duikboot?’ Maar zat ook meteen vast in een te diepe plas. Ik kwam er niet meteen uit, moest een paar keer voor- en achteruitsteken voor ik de rit kon vervolgen.
‘Jij rookt toch Golden Fiction’, informeerde Stegeman.
‘Ja, hoe zo’, vroeg ik.
‘Dan zou ik er graag een van je opsteken’, sprak Stegeman.
‘Hoe zo?’
‘Omdat ik jou gezelschap hou in plaats van Bos.’
‘En dat zou prettiger voor me zijn?’
‘Veel prettiger’, meende Stegeman. ‘Bos wil jou namelijk te grazen nemen met een flinke douw. Ik weet niet waarom, maar je moet die goeie man zwaar op zijn ziel hebben getrapt.’
‘Ik zou het ook niet weten’, loog ik en gaf nog eens extra gas.

We naderden het konvooi met als laatste wagen die waarin Bos zijn toevlucht had gezocht. Ik remde af, maar er gebeurde niets. Goddomme! Ik remde nu harder maar de een-tonner bleef met dezelfde vaart doorrijden.
‘Stop’, gilde Stegeman. ‘STOP!’
‘Kan niet”, schreeuwde ik. Ik schakelde zoveel mogelijk terug, liet de claxon aan een stuk schreeuwen en probeerde mijn wagen zo recht mogelijk op de bumper van mijn voorganger te zetten.
Een harde knal. Een flinke bons. En dat was dat. Wachtmeester Bos kwam vloekend en tierend op mij af, dat ik een godvergeten klootzak was en dat hij mij een douw van jewelste zou geven. Kornet Stegeman, licht hinkend, kwam tussenbeide. ‘Deze vent heeft mijn leven gered’, riep hij. ‘En misschien ook wel van jou. Briljant chauffeurswerk, kanonnier! Ik ga je voordragen voor een paar dagen prestatieverlof!’
Ik salueerde plechtig, terwijl Bos ons boos de rug toekeerde. Kornet Stegeman sloeg me joviaal op de schouder en fluisterde: ‘Kom nou eindelijk maar eens op met die Golden Fiction, cowboy!’

De kolonne vertrok zonder ons. Mijn trommelremmen moesten eerst gedroogd worden. Zonder verdere incidenten kwamen we in de kazerne aan. Ik heb ze na mijn diensttijd nooit meer gezien, kornet Stegeman niet, wachtmeester Bos niet en ook mijn slapie, de marconist Michel Kist niet. Van de laatste spijt me dat heel erg.

Verkeerd beeld

31 oktober 2020

Een elegant danspaar.

In 1940 vertoont het Polygoonjournaal dit item: Een elegante jonge vrouw zweeft over de dansvloer in de armen van een man. Alleen zij en hij.  Wel is er een pianist die onbewogen zijn muziek speelt. Hij heeft geen oog voor het dansende paar. Als hij opkijkt van zijn toetsen blikt hij recht vooruit, de gordijnen in van de kleine studio. Zij geniet zichtbaar van de dans. Hij kijkt met een uitgestreken gezicht van een man die bang is om de vrolijke bloem in zijn armen te krenken. De danspassen voeren het stel naar alle hoeken van het dansvloertje. Zij zweven en draaien van links naar rechts en omgekeerd, totdat de pianist het slotakkoord inzet en het tweetal uit beeld verdwijnt.

Het journaalfragment kan ik zo in mijn hoofd afspelen. Ik heb het wel dertig, veertig keer bekeken bij het monteren. Het maakte deel uit van een van de vele projecten, die onvoltooid, mislukt of onhaalbaar in mijn prullenmand zijn verdwenen. Het idee was om een filmpje te maken over mijn jeugd. Ik wilde die tijd herbeleven en beter begrijpen wat er toen allemaal gebeurde. Ik wilde de oude vastgeplakte familiefoto’s loshalen van hun donkerbruine achtergrond en ze terugplaatsen in de roerige tijd, waarin ze waren gemaakt. Eigenlijk wilde ik zelfs nog verder teruggaan in de tijd, een kier vinden in het dikke gordijn dat de tijd voor mijn geboorte afschermt. Ik wilde loeren in het interbellum toen er vrolijk werd gefeest en gedanst, gebridged en gemahjongd, de Hitlerdictatuur aan marcheerde, joden steeds meer mikpunt werden en mijn ouders hun tweede kindje maakten, mij.

Dansdemonstratie.

Met het bioscoopfragment van het dansende paar wilde ik mijn filmpje beginnen. Het verbeeldde voor mij het intrigerende interbellum. Vrolijke muziek, opwindende danspassen, gedimde spotlights, dikke gordijnen, een surreële bubbel, die elk moment uiteen kon spatten. Mijn project raakte dodelijk gewond en sneuvelde uiteindelijk toen ik mijn broer een preview gunde en hij het fragment neersabelde als zijnde volstrekt misplaatst. Hij had natuurlijk het grootste gelijk van de wereld. Mijn ouders leken in de verste verten niet op het dansende stel. Een glanzende baljurk, een onberispelijke avondkleding, pianomuziek, die bestonden niet in ons gereformeerd milieu. Dansen was een gruwel in Gods ogen, het brede pad naar zedenverwildering en hoererij. Mijn vader – fabrikant van houtwaren – zou nooit zo elegant met zo’n frivole vrouw om kunnen gaan en mijn moeder zou zich nooit zo kunnen bewegen. Zij was geboren op het Friese platteland, liep altijd achterstevoren de trap af en op drukke kruispunten sprong ze van haar fiets om te voet de oversteek te wagen. Zij leefden in een andere bubbel, waarin God alles zag, bijna niets goed vond en ook geen heil zag in bioscoopbezoek, dat duivels prentenboek.

Ik wist niet dat ik het bioscoopfragment nooit vergeten was toen dit jaar 75 jaar vrede werd gevierd en boeken over de tweede wereldoorlog hoog werden opgetast in de boekwinkels. Toen ik mijn keuze maakte uit die tsunami aan drukwerk, trof mijn oog het vriendelijke gezicht van een jonge vrouw, omlijst door krullend glanzend haar, onmiskenbaar het gezicht van de danseres uit het Polygoonjournaal van 80 jaar geleden. Ze stond op de omslag van een boek dat getiteld was Dansen met de vijand en dat volgens de ondertitel het oorlogsgeheim bevatte van ‘tante Roosje’. Dat boek moest ik hebben en dat boek heeft mij zeer beroerd en verbaasd.  Wat een verhaal!

Roosje Glaser

De elegante vrouw die over het witte doek zweefde heette Roosje Glaser, een succesvolle danslerares die Nederland laat kennis maken met de allernieuwste dansen uit het buitenland, zoals de Sherlockinette die ze in het bioscoopjournaal demonstreert. Ze is daar 26 jaar – drie jaar ouder dan mijn moeder – en stralend van energie, levenslust en optimisme, ondanks het geheim dat ze met zich mee sleurt. Ze is namelijk een joodse en voor geen enkele jood is plaats in Hitlers nieuwe orde. Zij en zes miljoen andere joden staan uitroeiing te wachten in de vernietigingskampen in het verre Oost-Europa. Roosje laat zich niet intimideren door de geruchten en ook niet door haar eigen man, die zegt: ‘De joden zullen uitgeroeid worden. Misschien heb je geluk dat je met mij getrouwd bent en zullen ze jou alleen maar naar Palestina sturen’. Ze loopt bij hem weg, neemt een andere naam aan, en begint haar eigen dansschool. Haar man, inmiddels NSB’er, licht de politie in dat ‘een zeer brutale jodin genaamd Roosje Glaser’ geen jodenster draagt, zich in het openbaar in restaurants, sportscholen, bioscopen begeeft, na 8 uur op straat is, reist zonder vergunning en ‘in het bijzijn van 147 dansleraren verklaarde dat zij met die nieuwe kliek niets te maken had en gewoon door zou gaan’. Roosje wordt opgepakt en na 6 maanden weer vrijgelaten. In ruil daarvoor laat haar vader zich naar een werkkamp sturen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Roosje duikt met haar moeder onder met nieuwe schuilnamen op een perfect adres, bij een NSB-echtpaar in Naarden, maar wordt opnieuw verraden, door een andere ex-minnaar, opgepakt door Nederlandse politieagenten en belandt in de kampen Westerbork en Vught. Met haar charme en levenslust weet ze steeds er het beste van te maken. Het onontkoombare transport naar Polen weet ze uit te stellen dankzij de relatie, die ze aanknoopt met een van de SS-officieren. Uiteindelijk komt ze toch in Auschwitz en later in Birkenau. Ook daar ontstaat een relatie met een SS’er.

‘Na de medische experimenten in Block 10 en het werken in de gaskamers vond ik het prachtig dat een man lieve woordjes tegen mij zei, zijn armen om me heen sloeg, we de liefde bedreven. Ik voelde me weer mens worden.’
Roosje.

 

Als de oorlog zijn einde nadert vrolijkt ze de gedemoraliseerde SS’ers op met danslessen en zingt ze Duitse liedjes voor hen. Warum ist es am Rhein so schön? Ze krijgt geen applaus, wel een brood, dat ze in haar barak deelt met twee vriendinnen. Als een van de weinigen weet Roosje levend uit Birkenau te komen en met een transport van het Zweedse Rode Kruis de vrijheid te bereiken. Nederland keert ze de rug toe en ze vestigt zich in Zweden onder de naam van haar ex-man Crielaars. Daar zet ze haar oorlogservaringen op papier, doet er verder het zwijgen toe en danst verder. De paar familieleden die de Holocaust hebben overleefd beschouwen haar gedrag in de oorlog als ‘fout’.

Het kamp Auschwitz – Birkenau.

Als een jonge neef van – inmiddels – Rosita zich niet door collega’s had laten overhalen om een bezoek te brengen aan het voormalige kamp Auschwitz was haar geheime geschiedenis nooit bekend geworden. Paul Glaser vond dat soort bezoeken ‘ramptoerisme’ maar werd diep geraakt toen hij er een koffer zag liggen met zijn familienaam erop. Roosjes koffer. Hij besloot het goed bewaarde familiegeheim te onthullen in een zeer aangrijpend boek.

Was tante Roosje fout? Ben je fout als je probeert te overleven? Ben je fout als je diensten verleent aan de nazi’s om er zelf beter van te worden? Nee toch? Dan is de ijscoman die een ijsje verkoopt aan een Duitse soldaat ook fout. En de bakker, die brood levert aan hun kazerne. En de restauranthouder, die hen een heerlijk maal serveert. En ook de fabrikant, die speelgoed produceert voor Duitse kindertjes in die Heimat? Mijn eigen vader.

Misschien paste het bioscoopfragment met de dansende Roosje aan het begin van mijn filmpje heel wat beter dan ik destijds dacht.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het boek Dansen met de vijand. Het oorlogsgeheim van tante Roos door P. Glaser verscheen in 2018. De foto’s in dit blog zijn van de Roosje Glaser Foundation en met vele andere te zien op www.roosjefoundation.org

 

Afschuwelijk mooi

19 april 2020

Marga Minco, de honderdjarige kettingroker.

.Enkele weken geleden werd ze honderd, wat heel bijzonder is voor iemand die de oorlog niet had mogen overleven en sindsdien de ene sigaret na de andere gulzig leeg zuigt. Marga Minco. De VPRO herhaalde een vraaggesprek van tien jaar geleden. Een vrouw die vlot de trappen besteeg van haar Amsterdamse woning maar pas na lang nadenken antwoorden gaf. Te oud voor een laptop of een tablet. Het letterbolletje van een elektrische IBM-schrijfmachine ratelde haar bedachtzame zinnen op papier. Stilte. Denkpauze. Sigaret. Een schrale rookwolk. Nieuwe woorden. Het bolletje roffelde vrolijk verder, legt de woorden neer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aktetas van onze leraar Nederlands zwaait open. Hij gaat op het puntje van zijn tafel zitten, vouwt een spiksplinternieuwe pocket open en zegt opgewonden: ‘Dit moet jullie horen!’
De omslag is foeilelijk. Ik kan alleen de titel lezen: Het bittere kruid, de naam van de schrijver is te klein om te ontcijferen.
‘De ik-figuur Sara, haar broer Dave en zijn vrouw Lotte krijgen een oproep om zich te melden voor arbeid in Duitse  werkkampen’ legt onze leraar uit. ‘Ze weten niet wat daar gebeurt, al zijn er wel sombere geruchten. Lotte voelt er weinig voor om zich te melden, Dave vindt het wel avontuurlijk en Sara eigenlijk ook wel. Om zich voor te bereiden op de reis gaan Dave en Sara kampeerbekers kopen. Zo heet dit hoofdstuk ook: Kampeerbekers.’

Onze leraar Nederlands kan goed voorlezen. Voorlezen is lezen zonder ogen. De woorden vloeien rechtstreeks je hoofd binnen, het verhaal in.

 

Tenslotte kwamen we in een winkel waar ze bekers hadden die hij [Dave] geschikt vond. Het waren rode, inklapbare bekers, van een groot formaat.
‘Wat zal er in komen?’ vroeg Dave aan mij.
‘Er kan van alles in, meneer’, zei de bediende. Melk en koffie, heet geserveerd, of wijn en limonade. Ze zijn van uitstekende kwaliteit, geven niet af en hebben geen bijsmaak. Bovendien zijn ze gegarandeerd onbreekbaar’.
‘Dan zullen we er drie nemen’, zei Dave. ‘Hebt u alleen rode?’
‘Ja’, zei de bediende, ik heb alleen maar rode; maar om te kamperen staat het heel fleurig’.
‘U hebt gelijk’, zei Dave. We gingen de winkel uit. Hij droeg de bekers, waar de bediende een keurig pakje van gemaakt had.

 

Mijn oren tintelen. Zo subtiel, zo kaal en zo krachtig, zo indrukwekkend had ik nog nooit taal gehoord. Zeventien jaar en al veel gehoord en gelezen over de Holocaust, maar nooit zo schrijnend en zo dichtbij. De gotspe dat je drie rode kampeerbekers uitkiest en je afvraagt wat er in zal komen, terwijl de bediende de kwaliteit aanprijst. Vanuit school fiets ik rechtstreeks naar de Zaanlandse Boekhandel op de Dam om de pocket te kopen. Het boekje is flinterdun en geschreven door een vrouw, Marga Minco. Thuis lees ik het in één ruk uit. Ik ben compleet van mijn stuk. Die kale, sobere zinnen en de kracht waarmee ze je treffen. Ik vind het buitengewoon.

Marga Minco overleefde als enige uit een orthodox-joods gezin de oorlog. Twee Duitsers  arresteerden vader, moeder en Marga bij een huiszoeking. Toen haar vader haar vroeg  om hun jassen te pakken, sloop Sara de tuin uit.

 

Zacht trok ik het tuinpoortje achter me dicht en rende de straat uit. Ik bleef rennen tot ik op het Frederiksplein kwam. Er was niemand te zien. Alleen een hond liep snuffelend langs de huizenkant.
Ik stak het plein over. Het was of ik alleen was in een verlaten stad.

 

Maar zo is het in het echt niet gegaan, vertelde Mingo in het vraaggesprek van de VPRO. ‘Het was heavier’, zei ze. Ze hadden afgesproken hoe ze via de tuin zouden ontsnappen als de Duitsers aanbelden, maar toen de bel werkelijk ging, sprongen haar ouders wèl over de schutting naar hun schuilplaats, maar rende Marga, tegen de afspraken in, via de poort de tuin uit. De Duitsers hadden haar ouders snel gevonden.

Ik was achter het tuinpoortje blijven staan, ik had de ster van mijn jas getrokken en stond te luisteren en door het sleutelgat te kijken wat er gebeurde. Ik dacht dat kan niet. Ik wilde het tuinpoortje open doen, maar dat was in het slot gevallen. Toen heb ik enorm staan bonzen op dat tuinpoortje, terwijl een kerel nog in de tuin was. Die vent kwam op dat tuinpoortje toe en deed het open. Voordat hij iets kon zeggen zei ik: ik woon hier. Nou, ga maar mee naar binnen, zei hij.
Ik moest de ster weer op mijn jas naaien. Dat heb ik in de tuin gedaan. Toen ik tenslotte weer binnen kwam, zei mijn vader: haal ook onze jassen even. In de gang heb ik mijn jas met de ster aangetrokken en ben ik weglopen, via het tuinpoortje en het steegje. Huppakee weg, terwijl die kerels nog met mijn ouders in de kamer stonden.

 

Het gezin Voeten: Bert Voeten, de dochters Betty en Jessica, Marga Minco.

Het duurt even voor ik Het bittere kruid teruggevonden heb tussen mijn boeken, die al jarenlang rug aan rug staan te hopen om nog eens geopend te worden. Het is nog dunner dan ik al dacht en de omslag nog lelijker. Berserik is de maker, de door mij bewonderde schilder en graficus Herman Berserik. Dat valt tegen. Als het boekje zelf dan ook maar niet tegen valt. Volgens de uittreksels van scholieren op het internet  heb je het in anderhalf uur uit. Ik doe er twee keer zo lang over, maar lees veel zinnen en passages twee of drie keer om tot het uiterste te genieten van Minco’s taalgebruik. Het bittere kruid is nog altijd een pronkjuweel.

Als ik het weer gelezen heb, blader ik het nogmaals door om de illustraties te bekijken. Die zijn me destijds nooit opgevallen, maar nu vind ik ze buitengewoon mooi. Ruwe lijnen, wanhopig vaak en verstild, gemaakt met hoekige pennen, verdroogde penselen, houtjes en takjes. Herman Dijkstra heet de krabbelaar. Nooit van gehoord. In het tijdschrift Maatstaf uit 1976 vertelde hij hoe hij de illustraties voor Het bittere kruid heeft gemaakt.

 

Ik zette mijn penselen in de stijfsel  en als die droog waren, trapte ik erop en dan draaide ik hem onder mijn hak rond, zodat het in plaats van een kwast een pluim werd, zal ik maar zeggen. Maar het ging niet in de eerste plaats om die pluim. Daar kwamen dan wat haren uitzetten waar ik hele dunne lijnen mee kon krijgen. Ik kon ook onverwachte lijnen krijgen, ik kon er alles mee doen.

 

Dijkstra’s illustraties passen wonderwel bij het verhaal van Mingo. Donker, ingehouden, suggestief.

Herman Dijkstra maakte prachtige illustraties.

Voor in het boekje staat als motto: ‘Er rijdt door mijn hoofd een trein vol joden, ik leg het verleden als een wissel om ..’  dat ik als 17-jarige behoorlijk indrukwekkend en mysterieus vond. Zelfs zo dat ik voor 2 gulden 50 de dichtbundel Menselijkerwijs kocht van dezelfde Bert Voeten. Dat hij in 1944, in de oorlog getrouwd met Mingo wist ik niet. En ook niet dat Voeten niet als een groot dichter geldt. Dat ik het nu wèl weet, deert mij niet. De treinwielen bonken nog even wanhopig als toen.

De eerste twee coupletten van Bert Voetens langere gedicht:

DE TREIN

Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om en ik tel
de veewagons met de grendels:
vijftig wagons, in elke
wagon vijftig mensen. Men ligt
geklemd tussen ledematen,
men is drager of gedragene,
gevangenen van elkander
in het duister van de wagon
in het duister zonder water
zonder lucht
zonder hoop.

Het is twaalfhonderd kilometer
naar sobibor – ik heb het
op een avond uitgerekend
met een kaart van europa voor me.
Zij wisten het niet, zij wisten
alleen dat hun wervels kneusden
tegen de baddings, hun tong
zwol als een blaar, hun ogen
schrijnden, hun voeten dood
in hun schoenen staken; zij leerden
dat men na twee, drie dagen
zijn water laat lopen, zijn nagels
gebruikt om ruimte te krijgen
wanneer men; ligt op het harde
lichaam van een gestikte.

—-

Marga Minco werd geboren op 31 maart 1920, Bert Voeten leefde van 1918 – 1992. Ze trouwden in 1944 en kregen twee dochters Betty en Jessica. Herman Dijkstra leefde van 1908 – 1976.
Maarten Schmidt & Thomas Doebele maakten in 2010 voor de VPRO de documentaire ‘Marga Minco – De schaduw van de herinnering’.