Archief ‘vroeger’ categorie

Een onvergetelijke dag

4 mei 2017

De zee begroet bruisend de kust. We horen haar al van verre. We juichen. We rennen door het mulle zand het duin op, mijn vader, mijn broer en ik. Wie ziet hem het eerst? Mijn broer natuurlijk.
De zee, ik zie de zee, roept hij uitgelaten en steekt triomferend zijn beide armen wijd uit.
Dan zien wij haar ook, de zee in een oneindige ruimte, zo ver je kunt kijken, tot de tranen in je ogen springen. En ik voel dat ik dit moment, dit uitzicht, dit licht nooit vergeten mag, hoe weinig ik er ook van snap.

Hoger was ik nooit.

Ik ben bijna zes jaar en het is voor het eerst dat ik de zee zie. En dat ik zo hoog sta, boven op een duin. Voorheen was dit Sperrgebiet, vol mijnen, bunkers, prikkeldraad en moffen. De moffen zijn weg, veel van de rest nog niet. Onze eigen vlag staat trots en strak in de wind. Ook ik strek mijn beide armen alsof ik zo’n dreunende bommenwerper ben, die ’s nachts in het donker over onze huizen naar Duitsland kroop om de moffen plat te gooien. De wind strijkt langs mijn spillearmen, beproeft en besnuffelt ze even en duikelt dan sierlijk landinwaarts naar beneden, holt door het dorp, strooit met zand.

Wijk aan Zee

Wijk aan Zee, zeker een uur fietsen van huis, mijn broer voor op de stang, beide handen op het midden van het stuur, ik achterop, achter de brede rug van vader, wijdbeens op de bagagedrager, uitkijken voor de spaken en prikbenen.
Hou me goed vast, zegt vader. En niet in slaap vallen.
Natuurlijk niet. Ik kijk mijn ogen uit. Hoe verder we fietsen, hoe vreemder het wordt. Een watertoren, bomen, bossen. Nog nooit gezien. In onze buurt zijn geen bomen. Nog niet, zegt moeder. Binnenkort worden er wat geplant in onze straat. Eentje zelfs vlak voor ons huis, aan de overkant van de straat. Maar hier zijn er zat, staan overal, soms zelfs met de takken tegen elkaar aan.

De weg gaat slingeren. De rug van mijn vader zwiept van links naar rechts naar links. De pedalen gaan trager. De weg kruipt omhoog.
We zijn er bijna, hijgt vader.
We zijn er bijna, begint mijn broer te zingen. We zijn er bijna. Maar nog niet helemaal. We zijn er bijna …
We zingen alle drie mee en zo fietsen we door het dorpje, dat Wijk aan Zee heet maar waar geen zee is te zien.
Dat zou niet zo best zijn, lacht vader.

Het is een blijde dag. Zo ver van huis wagen wij ons zelden. En zeker niet zonder moeder. Zij is thuis bij de nieuwe baby. Die kan niet zonder haar. Moeder heeft voor onze boterhammen gezorgd en voor een fles water. Voor als we dorst krijgen. Het lijkt mij onzin. Een zee zit vol water. Maar dat kan je niet drinken, legt mijn broer uit. Dat is zout en dan krijg je vreselijke dorst van en dan ga je hartstikke dood.

Nog niet alle rommel is opgeruimd.

Vader stopt. Mijn broer springt van de stang en wrijft over zijn billen. Ik laat mij van de bagagedrager glijden. Mijn benen prikken van boven tot onder.
Wie het eerste boven is, roept mijn broer.Vader en ik hollen achter hem aan en daar staan we dan op de blanke top van het duin en kijken onze ogen uit. De zee gromt en bijt als een jonge hond in het strand. Lange slierten wit schuim bibberen op de vloedlijn in de wind. Een meeuw zeilt rakelings over ons heen. Uit zijn venijnige snavel stoot hij een keiharde, klagelijke krijs. Ik klem me vast aan vader.
Die doen niks, troost hij, alleen maar schreeuwen.

Zo hoog heb ik nog nooit gestaan. Zo diep heb ik nog nooit gekeken. Dit is het einde van de wereld, het begin van een andere. De wind trekt aan onze haren, trekt tranen uit onze ogen. Hier staan we: drie stoere kerels met gespreide armen, leunend tegen de wind, blij en vrij. Net zo blij en vrij als toen we de Canadezen zagen met hun jeeps en hun sigaretten. Net zo blij als toen we in onze oranje kleren dagen achtereen onze bevrijding vierden.

De tranen trekken uit onze ogen.

Maar hier op het duin, met de wind die ons zandstraalt, de oneindigheid voor ons, Nederland achter ons, de klapperende vlag, de tranen in onze ogen, hier voel ik pas wat vrijheid is, hoe vrijheid voelt.
Hieper-de-piep hoera, schreeuw ik tegen de wind in.
Hoe Ra, schreeuwen ook vader en mijn broer en lachen het uit.
We zijn drie vrienden.

Wie het eerste beneden is, roept mijn broer en rent omlaag. Ik zet hem na. Onze voeten stuiven door het dunne zand. De helling geeft ons extra vaart. We suizen omlaag. Nog nooit renden we zo snel.
Stop. STOP, schreeuwt vader, zoals hij nog nooit heeft geschreeuwd.
We kunnen niet stoppen.
Voor je! Duiken, schreeuwt hij met vreemde stem.
Ik laat mij voorover vallen op het zand, zie dan het hek van prikkeldraad vol vlijmscherpe stekels.
Mijn broer ziet het ook, kan niet meer stoppen, maakt in flitsende angst een noodsprong, precies over het hek heen en ploft dan keihard neer op het strand.
Vader ziet lijkbleek.

Overal is nog prikkeldraad.

We eten zwijgend onze boterhammen op het winderige strand. Het wordt een rotdag. Ik moet een te groot badpak aan en dwars door dat plakkerige, lillende schuim de ijskoude zee in en word dan door mijn vader nog nat gespat ook. Ik vind het strand kil en onaangenaam en ik wil naar huis, maar dat gaan we nog lang niet. Ik krijg op m’n kop als ik op de fiets in slaap val en thuis een draai om mijn oren als ik moeder zeg dat er helemaal niets aan was.

Het was een dag om nooit te vergeten.

 

De dode dichter

1 maart 2017

Mijn oude school bestaat 150 jaar en alle lichtingen zijn opgeroepen om het feest bij te wonen. Zodoende drommen en schuifelen we met een paar honderd man door een onbekend gebouw op zoek naar de kapstokken, de aula, de toiletten en bekijken we elkaar met verbazing. We zijn oud, herkennen elkaar nauwelijks meer en lezen elkaars naambadges zonder al te veel hoop. Waar moeten we heen? Waar is het feest?
‘Ha, eindelijk een naam die ik ken’, roept een reünist  opgelucht. Grijs haar, brede glimlach, slecht gebit,  verkeerd eindexamenjaar. De naam op zijn badge zegt me niets.
‘Kennen wij elkaar?’
‘Ja, Jelte, iedereen kent jou toch!’
Wat een flauwekul. Het is lang geleden dat mijn naam regelmatig op de televisie was en nog veel langer geleden dat ik in dagblad Trouw schreef.
‘Jelte. Jelte Rep’, dringt de reünist aan, ‘van de schoolkrant! Dat was je toch niet vergeten?’

De schoolkrant bestaat 10 jaar. Gekostumeerd trekken de leerlingen naar de feestzaal.

De schoolkrant bestaat 10 jaar. Gekostumeerd trekken de leerlingen naar de feestzaal.

(meer…)

Het beeld kraakt

27 maart 2016

Ik had twee grootvaders. De ene zat in een invalidewagentje, de ander hing bij ons aan de muur. In onze woonkamer was geen andere plek voor hem dan een spijker door het behang. Een tafel, vijf stoelen, een volgestouwd dressoir, meer kon er niet in. ’s Winters kwam er nog een kachel bij en dan was het helemaal dringen. De wanden werden ingenomen door twee XXL-schilderijen, waarvan ik de dikke reliëflijsten had vervangen door simpele tengels, de luidspreker van de draadomroep met daarop een monnik van terracotta, waar zo vaak tegenaan gestoten was dat zijn hals voornamelijk bestond uit dikke lijm, en een worteldoek met koperen prullen boven de halfsteens schoorsteenmantel.

Portret van mijn pake.

Portret van mijn pake.

Zat je aan tafel – wat kon je er anders doen? – dan priemde opa zaliger met zijn strenge blik in je rug. In zijn politie-uniform zit hij hoog te fiets zijn gezag uit te stralen . Niemand die dichtbij durft te komen. De anders zo drukke hoofdstraat is leeg. Twee auto’s staan verlaten voor het pand van Albert Heijn. Iedereen is weggevlucht voor de kalm voort peddelende hoofdagent  met zijn spiedende ogen en zijn blanke sabel gebruiksklaar in zijn stuurklem. Wat doet ongeïdentificeerd persoon daar op de openbare weg met houten driepoot? Heeft hij een schriftelijke vergunning daartoe? Vormt hij geen beletsel voor het rijverkeer? Maar voor hij afstijgt voor nader onderzoek, heeft de straatfotograaf al de foto gemaakt, die jaar in, jaar uit op ons neerkijkt in onze krappe woonkamer.

(meer…)

Wij weten dat we hem hebben gezien!

24 februari 2016

Het toetsenbord kijkt me koel aan. Weet ik de code nog? Mijn vingers prikken de vier cijfers. De massieve deur springt traag los. We mogen erin, Agnes en ik. Nu op weg naar het Bosviooltje, gang links, gang rechts, weer een deur. Bedeesd druk ik op het knopje van de intercom.
Ja-a, vraagt de speaker. Ik antwoord dat we voor de heer Prins komen.
O-o, reageert de speaker overrompeld. En dan: ik kom er aan!
Een opgewonden verzorgster opent de deur en kijkt ons onrustig aan.
Wat vervelend, verzucht ze. Komt u van ver? Meneer Prins ligt namelijk nog in bed, begrijpt u?
Schrik geeft een vuistslag op mijn hart. Nee, natuurlijk begrijp ik het niet. Er is toch niets ernstigs aan de hand met Henk? Een hartaanval, een beroerte, een wanhoopsdaad? Waren we maar vorige week gekomen. Dat had ook gekund. En nu zijn we misschien te laat. Shit, beste Hendrik, wat is er met je?

Drukte in Oudeschild, de toenmalige toegangspoort tot Texel.

Drukte in Oudeschild, de toenmalige toegangspoort tot Texel.

(meer…)

Bedelbrief

29 december 2015

Aan het einde van het jaar trachten de goede doelen je klem te zetten, proberen ze je hart te breken met het schrijnende leed dat je een heel jaar op afstand hebt weten te houden en steken dan begerig je hun holle handen toe, uitgekookter dan de doortraptste bedelaar.
Plies, sul, plies,plies.

Goede doelen knokken om je medelijden.

Goede doelen knokken om je medelijden.

Geld geven geeft maar eventjes een goed gevoel, maar lost niets op. Mijn eurootjes staan machteloos tegenover de oliewinsten in het Midden-Oosten en die van de wapenhandelaren. Hoeveel procent winst maak je op een bom? Vijftig, honderd, 200? En hoeveel bommen vallen er dagelijks op Syrië alleen al? Hoeveel is de winstmarge op een kalasjnikov en hoeveel zijn er al verkocht in de hele wereld?

Als er echt vrede op aarde moet komen, moet de fabricage van elk wapentuig verboden worden. En ook graag dat ongenegeerde gebedel. Daar heb ik ook een hekel aan.
(meer…)

Mijn ding

30 november 2015

Taal is ook mijn ding, maar dat taal leeft vind ik lastig. Het betekent namelijk dat je steeds opnieuw een dikke Van Dale moet aanschaffen. Die kost € 179,00. En aan de Van Dale officiële scrabblewoordenlijst ( € 24,99 ) moet ik sinds 2012 al 447 nieuwe woorden bijschrijven en 77 schrappen. Dat krijg ik nooit netjes voor elkaar.  En in de Scrabblewoordenlijst-app kan ik helemaal niets veranderen. Woorden, waarmee ik vier jaar geleden geweldig scoorde, worden nu bits afgekeurd.

Dat ook de spreektaal verandert vind ik helemaal jammer, zeker als dat om opportunistische redenen gebeurt. De NOS-sportverslaggever vond het kennelijk stoer en mannelijk om te melden dat de voetballers zeiknat waren door de regen. Zeiknat vind ik een ordinair woord, ongepast voor het podium van de NOS-televisie. Ik zou over dat woordgebruik pissig kunnen worden.  Gek genoeg klinkt pissig niet ordinair in mijn oren, terwijl beide woorden het over dezelfde vloeistof hebben.
(meer…)

Al die levens, al die doden

30 augustus 2015

6 augustus 1945. De grootste paddenstoel ter wereld schiet omhoog uit het hart van Hiroshima. Een flits, geen geluid. Drie dagen later volgt een tweede paddenstoel. Giftiger waren paddenstoelen nog nooit. De explosies veroorzaken een enorme drukgolf en intense hitte. Bijna onmiddellijk sterven 250.000 Japanners. In de jaren daarna  zullen nog enkele honderdduizenden omkomen door stralingsziekten en kanker.

Een flits, geen geluid.

Een flits, geen geluid.

Het is 70 jaar geleden en de media dienen de beelden van de bom en hun slachtoffers gretig op.  Mijn hart schrijnt bij het zien van al dat lijden. 15 augustus is een soort 4 mei maar veel minder populair. De televisie probeert nog iets te maken van de herdenking in Den Haag. Bloemen, toespraak, gedicht, interview, trage muziek. Ik kijk tegen mijn zin, maar ik mag al de  doden van die vreselijke oorlog in het Verre Oosten nooit vergeten, niet de vijanden, niet de vrienden.

Ik heb hun graven gezien in de blakerende tropenzon: de rijen ondenkbaar witte zerken op onberispelijke erevelden. Ik heb ze proberen te tellen: de bielzen onder de Birma-spoorlijn. Iedere twee bielzen één dode. Ik heb hun uitgebeitelde namen gelezen. J. P. van Aken, H. Zijlstra, D. Vrolijk. Duizenden.  Gestorven voor het vaderland, de vrijheid, het volk, de koningin. Voor wie en wat al niet. Het is niet te bevatten. (meer…)

Knikkerzak

31 juli 2015

Weer een dode. Het moet topdrukte zijn aan de hemelpoort. De zorgverlener vond hem ’s morgens op zijn bed in zijn ochtendjas. Dat hij niet gereageerd had op de deurbel was niet zo vreemd. Neef Koos is, sorry was stokdoof. Overal in zijn huis had hij listige oplossingen bedacht om wekkers, bellen, televisie en telefoon gigantische hoeveelheden decibellen te laten uitspuwen. Maar de dood kwam sluipend, als een dief in de nacht. Koos lag vredig op zijn zij toen de zorgverlener hem vond, in de foetushouding, een baby van 92 jaar.

Begrafenis in Driehuis.

Begrafenis in Driehuis.

Mijn oudste broer belt met het nieuws. Hij is altijd de eerste die gewaarschuwd wordt. Ik benijd hem niet.
‘Ik ga maar eens kijken’, zegt hij met tegenzin.
Koos heeft kind noch kraai, woont moederziel alleen.
‘Wie gaat het verder regelen’, vraag ik.
‘Geen idee. Ik in ieder geval niet. Dat heb ik hem duidelijk gezegd.’ (meer…)

Fietsen door de oorlog

29 april 2015

De jaarlijkse oorlogsherdenking nadert heftiger dan ooit tevoren, maar ik ben paraat. Ik stap op mijn fiets en rijd naar de burgermeesterkamer in het oude raadhuis van Hilversum. Daar verzamelt zich een groep van elf man bij koffie en appeltaart. We gaan een fietstocht maken langs plekken die herinneren aan de jaren ’40-’45, maar wachten nog op de laatste twee deelnemers.

De heer Pieter Hoogenraad van het Fietsgilde leidt ons rond.

De heer Pieter Hoogenraad van het Fietsgilde leidt ons rond.

Aan de oorlog heb ik niet zoveel herinneringen, maar waarom intrigeert hij me steeds opnieuw? Ik weet het niet precies. Ik beschouw de oorlog wel als een onvermijdbare markeringslijn in de geschiedenis. Deze oorlog was niet alleen een bezetting van je land, maar vooral ook een mes op je geweten. Je kon weg kijken, maar niet lang. Uiteindelijk moest je keuzes maken. Wat je deed, hoe je het deed, waarom je het deed, waarom je het niet deed. Je geweten zal je uiteindelijk verantwoording vragen.

Hoewel ik langer in Hilversum woon dan ooit in Zaandam, voel ik me nog steeds een geëmigreerde Zaankanter. Ik heb meer belangstelling voor de geschiedenis van mijn geboortestreek dan die van mijn woonplaats, maar dit buitenkansje laat ik mij niet ontglippen. We fietsen namelijk ook naar de geheimzinnige Blaskowitz bunker, die heel erg verscholen ligt tussen de villa’s van de Trompenberg. Ik heb er wel eens naar gezocht, maar nooit gevonden. Vandaag gaat dat wel gebeuren.

(meer…)

Ontzield

29 maart 2015
We trouwen in het wit.

We trouwen in het wit.

– Wanneer gaan jullie, vragen ze ons keer op keer.
– Maar wij gaan helemaal niet. Waarom zouden we?
Ze horen ons meewarig aan en we zien ze denken: wat een domme, eigenwijze  mensen. Straks zullen ze wel moeten, kunnen ze de trap niet meer op. En dan? Zorg kun je tegenwoordig wel vergeten. Dus dan moeten hun kinderen ervoor opdraaien. Egoïstisch is dat.

Nee, wij gaan ons huis niet verlaten. Wij blijven. Alsof er niets gebeurd is. Er is natuurlijk wel iets gebeurd. Het buurtje, waarin we zo’n veertig jaar geleden neerstreken en waar we zo uitbundig hebben gewoond, is ontzield. Het is een mistige morgen als een afgeladen bestelwagen voor de laatste keer de strijd uitrijdt, traag als bij een uitvaart, maar meer vanwege de weersomstandigheden, de verkeersdrempels en het glasservies. De stilte loopt als een doodgraver voorop.

(meer…)