De dode dichter

Mijn oude school bestaat 150 jaar en alle lichtingen zijn opgeroepen om het feest bij te wonen. Zodoende drommen en schuifelen we met een paar honderd man door een onbekend gebouw op zoek naar de kapstokken, de aula, de toiletten en bekijken we elkaar met verbazing. We zijn oud, herkennen elkaar nauwelijks meer en lezen elkaars naambadges zonder al te veel hoop. Waar moeten we heen? Waar is het feest?
‘Ha, eindelijk een naam die ik ken’, roept een reünist  opgelucht. Grijs haar, brede glimlach, slecht gebit,  verkeerd eindexamenjaar. De naam op zijn badge zegt me niets.
‘Kennen wij elkaar?’
‘Ja, Jelte, iedereen kent jou toch!’
Wat een flauwekul. Het is lang geleden dat mijn naam regelmatig op de televisie was en nog veel langer geleden dat ik in dagblad Trouw schreef.
‘Jelte. Jelte Rep’, dringt de reünist aan, ‘van de schoolkrant! Dat was je toch niet vergeten?’

De schoolkrant bestaat 10 jaar. Gekostumeerd trekken de leerlingen naar de feestzaal.

De schoolkrant bestaat 10 jaar. Gekostumeerd trekken de leerlingen naar de feestzaal.

De schoolkrant, hoe zou ik die ooit kunnen vergeten? Nog voel ik de sensationele euforie toen mijn allereerste opstel daarin afgedrukt stond. De leraar Nederlands had dat buiten mijn weten gedaan. Laatste pagina, geïllustreerd, een oud mannetje bij een oud schoolgebouw. Magisch. Vanaf dat moment wist ik zeker dat er niets mooier en goddelijker bestaat dan schrijven.

Toen ik dit gelukzalige gevoel beschreef in een eerder blog, reageerde een andere schoolbladschrijver, Daniel Blajan: ‘Dit maakt wat wakker. Vooral daar ik vanochtend mijn uiteenvallend exemplaar van Een 10 voor tieners na vele jaren herontdekte, met op bladzijdes 78 & 79 mijn eigen producten. Even googelen. Wie leven er nog van die auteurs? Jij, dus …’

Er leven nog heel wat van die schoolbladschrijvers: Wim de Bie, Kees van Kooten, Wim van Kooten (Joost de Draaier), Geert Mak, Hugo Heinen, Sjoerd Kuyper, Hans Dorresteijn, Annemarie Oster. Hoe kwamen ze bij de schoolkrant, gevraagd of uit zichzelf? Leraren Nederlands blijken vaak een sleutelrol te hebben gespeeld.

Ook Daniel Blajan werd uitgenodigd door zijn leraar Nederlands. Hij beleefde net zo’n kick als ik. ‘Ik weet nog heel goed hoe ik me voelde toen ik voor het eerst een gedicht van mij gedrukt zag in onze –gestencilde – schoolkrant.  Datzelfde gevoel heb ik jaren later nog één keer ondervonden: de eerste keer dat Country Living in Amerika mijn inzending publiceerde en bovendien heel goed betaalde.’

Daniel reageerde op mijn jammerblog over de onbekende persoon, die een liefdesgedicht van mij persifleerde. Beide gedichten kwamen naast elkaar terecht in de bundel Een 10 voor tieners, daarna in het boek Tieners van Henne van der Kooy en vervolgens in een boekbespreking op de radio. Gegniffel alom, behalve bij mij. Ik weet nog steeds niet wie mij die poets heeft gebakken.

Mijn gedicht en dat van een onbekende plaaggeest in Een 10 voor tieners.

Mijn gedicht en dat van een onbekende plaaggeest, beide opgenomen in de bundel Een 10 voor tieners.

In de herrie van de reünie sneuvelt mijn plan om te informeren naar het lot van onze schoolkrant en de identiteit van de onbekende grappenmaker. We moeten met z’n paar honderd op de foto en na die gebeurtenis vlucht ik naar de behaaglijke warmte van mijn klasgenoten in een rustigere omgeving. Veel leuker.

Daar circuleert het spiksplinternieuwe jubileumboek met daarin onder andere een verhaal over de teloorgang van onze schoolkrant, nota bene geschreven door mijn jongste broer Martin. Tot mijn grote verrassing speel ik daarin de onvermoede hoofdrol van moordenaar. De protagonist, mijn leraar Nederlands, meneer Van Houts, nodigt mij, de antagonist, uit zitting te nemen in de redactie van De Projectielantaarn,  Onafhankelijk Maandblad van het Zaanlands Lyceum. Wat een eer, wat een feest. Hij is mijn grote held en inspirator, dichter van een net verschenen dichtbundel Onder dezelfde hemel. En we vieren trots onze tiende jaargang!

dodedichter2

Op de feestavond van de jubilerende schoolkrant dragen twee leraren voor uit eigen poëzie, Jan van Houts (l) en Edgar Lemaire.

Ik dien hem met al mijn talenten in jubelstemming. Ik schrijf mijn mooiste stukjes en gedichten, ik maak tientallen illustraties en ijver om het blad nog beter en nog boeiender te maken. In mijn overmoed protesteer ik tegen de mooiste plek in de krant voor een (slijmerige) bespreking van de dichtbundel Onder dezelfde hemel. We zijn een onafhankelijk maandblad. De protagonist voelt zich verraden en nog wel door zijn trouwste adjudant. Hij stapt woedend en tierend op. De redactie heeft zich vrijheden gepermitteerd die hij niet kon dulden, roept hij. Ze zoeken het maar uit zonder mij. De rector belast een andere leraar Nederlands met de schoolkrant.

De antagonist doet eindexamen, verdedigt zijn land en trouwt daarna met zijn jeugdliefde Ria, die van het gedichtje. De protagonist loopt al die jaren te mokken en te stoken, zo blijkt uit Martins verhaal in het jubileumboek. Waar hij kan werkt de protagonist de schoolkrant tegen. Tijdens zijn lessen durft niemand reclame te maken voor de krant, of die in zijn schooltas te hebben, laat staan een stukje te schrijven voor het krantje. Van Houts heeft succes. Het aantal abonnees daalt zienderogen en daarmee ook de inkomsten. Na drie jaar is het gedaan met de fameuze schoolkrant. De rector roept de hoofdredacteur bij zich (nota bene mijn broer Martin) en verklaart:  ‘Zo gaat het niet langer’.

Dagblad De Typhoon heeft heet nieuws: ruzie op het Zaanlands Lyceum.

Dagblad De Typhoon heeft heet nieuws: ruzie op het Zaanlands Lyceum.

Het jubileumfeest is nog lang niet afgelopen als ik naar huis rijd. Lekker rustig, geen radio aan, alleen gedachten. Vooral over Van Houts, mijn idool. Ik snap het niet. Was die echt een paar jaar boos op mij? Ik heb hem een paar jaar voor zijn dood nog een bezoek gebracht. Hij was toen een en al vriendelijkheid en dankbaarheid. Ook toen ik hem verweet dat hij mij meer dan eens onrechtvaardig behandeld had, zelfs een pets voor mijn kop had gegeven. Hij had meteen zijn spijt betuigd over zijn opvliegendheid. Vergeef me het, jongen. Zijn warme handdruk bij het afscheid voel ik nog. Maar nu voelt die anders. Huichelde hij? Maar waarom zou hij huichelen?

Een boosaardige gedachte treft mij. Was hij het misschien die mij bespotte met dat gedichtje Voor Jelte? Een pesterij van de protagonist? Hij kon het heel makkelijk en ongezien doen. Hij kende mijn handschrift. Maar hij hoefde het niet eens te vervalsen. Hij legde altijd de laatste hand aan de krant en niemand keek hem op de vingers . Hij was bovendien de man die een selectie maakte voor Een 10 voor tieners. En nu ik er over nadenk: bij ons laatste gesprek wist hij alle details over de twee gedichtjes. En waarom mocht er eigenlijk geen camera bij ons gesprek zijn? Waar was hij bang voor?

Een irritante eigenschap van doden is dat ze hardnekkig zwijgen en niet antwoorden op al de vragen die je hebt. Van Houts doet daar ook aan mee. Hij overleed in januari 2015 – nota bene in zijn laatste uren medisch bijgestaan door mijn oudere broer – en rust sindsdien in stilte.

Lees over de twee gedichtjes ook: Ik wil je niet

Laat een reactie achter

*
Om te voorkomen dat er veel nep reacties worden geplaatst is deze code verplicht
Anti-Spam Image