Ontsnapt als dwangarbeider -1

4 oktober 2018

Razzia op dwangarbeiders

Jan is een kast van een kerel, groot, sterk, voor de duivel niet bang en stront eigenwijs. Zit altijd in een sjiek colbertje stoer op de fiets, ongeacht de weersomstandigheden, zon, wind, regen, sneeuw, ijs of vorst. Het maakt hem niet uit. Joeg onlangs eigenhandig twee oplichters zijn huis uit. Heeft in het afgelopen voorjaar de hele achterkant van zijn huis geschilderd.  Last, freest en polijst in zijn werkplaatsje nog dagelijks dat het een lieve lust is. En is 93 jaar. Woont 20 meter bij mij vandaan in het huis, dat hij als 11-jarig knulletje al wilde hebben.
‘Als er iets in m’n kop zit, moet het ook gebeuren’, zegt hij er zelf over.

Er heerst een hardnekkig misverstand tussen Jan en mij. Hij denkt dat ik eens over kamp Amersfoort een documentaire heb gemaakt, maar ik denk het niet. Jan heeft een aantal dagen gezeten in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, het beruchte concentratiekamp, en heeft hem toen weten te smeren. Dat wonderbaarlijke verhaal wil ik graag uit zijn mond optekenen nu het nog kan, want meteen aan het begin van ons gesprek geeft Jan te kennen dat hij zijn leven zo langzamerhand wel welletjes vindt.

´Ik zou het niet erg vinden als ik dood ga. Ik hoef geen honderd te worden´, verklaart hij met nadruk.
Zowel de echtgenote van Jan als die van mij protesteren, maar Jan neemt zijn woorden niet terug. Het bevalt hem niet dat zijn benen hem af en toe in de steek laten en dat hij maar moeilijk uit bad kan komen. Hij heeft zijn leven altijd naar zijn eigen hand kunnen zetten. Zijn leven moet hem gehoorzamen en niet andersom. Dat is altijd zijn motto geweest, ook al toen hij een jongetje van 11 was en op zijn autostep bij het hoekhuis aan de rand van Hilversum stond en besloot dat hij dat huis zou gaan bewonen zodra hij getrouwd was.

Jantje (11 jaar) besloot In deze straat te gaan wonen, zodra hij getrouwd was.

Jan, oudste zoon van een schoenmaker in de arbeiderswijk Over ’t Spoor,  was 15 jaar toen Nederland capituleerde voor het Duitse geweld. ‘Daar had ik het heel slecht mee’, zegt hij, ‘ik had veel meer verwacht van het Nederlandse leger.’ Van de oorlog merkte je in het onbeduidende Hilversum aanvankelijk niet veel. De bezetter kon het af met een kleine honderd man, maar dat veranderde drastisch in 1942, toen het generaal Christiansen, opperbevelhebber van de Wehrmacht zijn hoofdkwartier van Den Haag naar het aangename en bosrijke Hilversum verplaatste. Villa’s en scholen werden gevorderd om het talrijke personeel prettig te huisvesten en in het simpele schapendorp wemelde het ineens van de hoge militairen en hun manschappen. Hilversum werd een vesting, gigantische bunkers en tankgrachten werden ingegraven en de mooiste villawijk werd tot spergebied verklaard.

De Groest in hartje Hilversum.

Een grote militaire parade in hartje Hilversum maakte diepe indruk op Jan. ‘De Ortskommandant, generaal Christiansen en andere hoge officieren zaten er hoog te paard. Aan de overkant stonden twee Duitse bands te spelen, ratte-tam-tam-tam. En voor hen langs zag je voorbij komen infanterie, kanonnen, tanks, een macht die zal je leven lang niet meer zou zien. Van de Groest gingen ze de Stationsstraat in, naar het station van Gent & Loos, waar de ene trein na de andere naar het oosten vertrok, naar Rusland en naar Joegoslavië. Zo’n macht had ik nog nooit gezien en zal ik nooit meer te zien krijgen. Im-po-ne-rend! Vrachtwagens waarin  kaarsrecht zes lui zaten, geweren tussen de knieën, loop recht omhoog, de ene vrachtwagen na de andere. Zware tanks, die het asfalt uit de weg haalden. Ongelooflijk. En al die marcherende soldaten van de Luftwaffe, zoveel, dat was ongelooflijk. Ik kwam thuis en barstte in huilen uit. Ik was ervan overtuigd dat we nooit meer van die moffen af zouden komen, zoveel macht als ik daar had gezien’, vertelt Jan. Hij voegt er snel aan toe: ‘Dat is overigens de laatste keer dat ik gehuild heb. Sindsdien heb ik nooit meer gehuild’.

Oproep zich te melden voor graafwerkzaamheden.

 

Het werd steeds beroerder. De Duitsers eisten steeds meer arbeidskrachten op voor de oorlogsindustrie en de bouw van verdedigingswerken. De Arbeitseinsatz. Vrijwillig ging dat niet. Een oproep die in oktober 1944 in Hilversum werd gedaan leverde nauwelijks respons, terwijl er een ‘dagelijkse vergoeding van vijf gulden, goede kost en rookartikelen’ werden beloofd. Dat schoot de Duitsers in het verkeerde keelgat. De fanatieke SD uit Amsterdam werd naar Hilversum gedirigeerd voor een verrassingsoverval. In de vroege ochtend van maandag 23 oktober ging in Hilversum het luchtalarm af  en schreeuwden soldaten dat alle mannen tussen de 17 en 50 jaar zich aan moesten kleden, snel een koffer inpakken voor een aantal dagen en zich melden op het gemeentelijk Sportpark aan de Soestdijkerstraatweg voor ‘graafwerkzaamheden’. Jan was dus ook de klos, maar hij was absoluut niet van plan te gehoorzamen. Maar er was geen ontkomen aan. De arbeiderswijken werden afgegrendeld, alle mannen hun huizen uitgejaagd. Af en toe werd een kelder met vermoedelijke werkweigeraars opgeblazen met een handgranaat.

Duitsers op mensenjacht.

‘Die razzia was perfect voorbereid, want die moffen konden puik organiseren. Je kon geen kant op. Ja. één kant: de Hoge Larenseweg uit, de kleine spoorbomen over, over de Groest en door de Emmastraat naar het Sportpark.’

De namen krassen in mijn oren. Het zijn allemaal namen uit mijn eigen omgeving, vriendelijke straten met vrolijke bomen en fladderende vogels. De tribune van het sportpark  is een meesterwerk van architect Willem Dudok. Ik ken al die plekken, weet precies hoe ze eruit zien, maar Jans woorden vullen ze met die voortgedreven, opgejaagde, angstige mannen uit het verleden. Weggejaagd uit hun eigen huizen. Losgerukt van hun vrouwen, hun kinderen. Geen eigen plek meer. Zo krijgen die straten zwarte, kille schaduwen, die niet snel zullen verdwijnen uit mijn gedachten.

‘Overal stonden de moffen. Maar ik had afgesproken met de directeur van het City-theater (een bioscoop op de Groest) dat ik daar mocht onderduiken. Ik had niets bij me, geen dekens, geen verschoning, helemaal niks. Dus toen ik over de Groest liep, dacht ik: nu sla ik rechtsaf en smeer ‘m.  Maar ik had geen kans. Twee moffen met geweren hielden me tegen en riepen Immer gerade aus. Dus dat ging niet door. Even later zag ik een overbuurman van ons lopen, die was agent bij de Landstorm, maar was verder geen beroerde kerel. Toen zei ik: Sakkes, zeg tegen m’n moeder dat ik opgepakt ben, maar ik hoef niks te hebben, want ik kom toch gauw terug. Daar was ik van overtuigd.’

Lees het vervolg: > Ontsnapt als dwangarbeider -2