4. Wilde beesten in het bos

5 mei 2021

Ik sta op met een gruwelijke kater, niet van dat ene glaasje wijn bij het diner, maar van alles wat ik gisteravond op Google heb gelezen over het gebied waar ik nu op vakantie ben: de Lüneburger Heide. Ik wil geen nacht langer blijven in Celle, hoe aardig ze ook voor me zijn in hotel Fürstenhof. Ik schaam me diep voor mijn onnozelheid en onwetendheid. Ik heb me namelijk nooit gerealiseerd dat het grootste en ellendigste concentratiekamp van Duitsland hier in de buurt lag. In 1961 niet en ook nu weer niet. Celle is niet langer a place to be, maar een plaats om zo snel mogelijk te verlaten.

Celle in vogelvlucht.

Hoe kan ik nog langer hier in alle comfort slapen als op korte afstand onnoemelijk en godgeklaagd is gemoord en geleden? Celle. Waar ik geen enkele verwijzing heb gezien naar die gruwelplek. In de kranten uit 1945 die ik gisteravond doorbladerde heette het kamp nog gewoon ‘kamp Celle’ maar binnen de kortste keren was die naam al weggepoetst. Twee onbeduidende plaatsjes even verderop gingen hun naam lenen aan die helse plek: Bergen en Belsen. De Celler middenstand wist van wanten om zijn inkomsten veilig te stellen. Celle mocht niet geassocieerd worden met oorlogsmisdaden. Dat zou de toeristen afschrikken.

Ik wil er juist wel naar toe, naar Bergen-Belsen, al is er niets meer van over. Ik wil de plek voelen. De kou bijvoorbeeld alleen al. Op onze schietoefening van 1961 hadden we comfortabele slaapzakken – volgens mijn slapie Michel Kist het enige uitrustingsstuk dat er mee door kon -, maar werden we desondanks klappertandend wakker. Hoe moet die koude gevoeld hebben als je geen vlees meer op je botten had, geen eten in je maag, geen bloed in je lijf, geen hoop in je ogen? Na het googelen van gisteravond voelt hotel Fürstenhof niet prettig meer. ‘Entschuldigung’, mompel ik bij de receptie, ‘maar de plannen zijn veranderd’.

Sinds gisteravond begrijp ik wat zich hier aan het einde van de oorlog heeft afgespeeld. Celle zat in de tang van de oprukkende legers vanuit het oosten en zuidwesten. Duizenden burgers en militairen waren op de vlucht geslagen voor het aanstormende geweld. Ze werden op een steeds kleiner stuk grond samengeperst. Vanaf de Lüneburger Heide tot aan de Oostzee wemelde het van de daklozen, de vluchtelingen, de onderduikers en geboefte. Alle illusies waren hen ontnomen. Ze hadden nog één hoop: niet in handen te vallen van het barbaarse Rode Leger.

Heinrich Himmler en Adolf Hitler.

Adolf Hitler in zijn ondergronds bunker wist van geen opgeven. Zijn trouwe dienaar Heinrich Himmler, de Reichsführer-SS, aanvoerder van 910.000 meedogenloze Waffen-SS’ers en van (op papier) bijna 2 miljoen leden van de Allgemeine-SS, geloofde er niet meer in. Hij was ondergedoken op het platteland, druk in de weer om zijn hachje te redden. In het diepste geheim bood hij de geallieerde legers vredesbesprekingen aan in ruil voor zijn leven en met als wisselgeld het lot van de tienduizenden gevangen in de concentratiekampen. Hoe vreselijk die eraan toe waren mocht natuurlijk niet bekend worden. Himmler gaf opdracht de concentratiekampen zoveel mogelijk te ontruimen, de gevangenen weg te voeren, de lijken weg te werken.

Dit bevel veroorzaakte nog meer leed in de concentratiekampen en nog meer drukte in het laatste stukje Derde Rijk. Per trein, per schip maar vaak ook te voet werden de gevangen in noordelijke richting afgevoerd. Voor velen betekende dit een inspanning te veel. Vooral zij die moesten lopen stierven bij bosjes.

Tyfus brengt nog meer leed onder de gevangenen.

Een van de concentratiekampen waarop de alsmaar oprukkende westerse legers zeer binnenkort zouden stuiten lag in de omgeving van de stad Celle. De toestand daar was verschrikkelijk. De gevangenen hadden geen eten en geen drinken meer. En er was tyfus uitgebroken. De kampbewoners stierven als ratten. De lijken stapelden zich op. Doden en levenden lagen dikwijls naast elkaar, tegen elkaar. Wie geen tyfus had moest op transport.

Een overlevende: “Waarheen werd niet verteld. Ongeveer 200 man moest aantreden, waaronder ik. We mochten alleen meenemen wat we konden dragen, dus dekenrol, een koffertje en een broodzak. Onze lijdenstocht begon met een geforceerde mars van 10 km naar het station van Celle. Daar stond een goederentrein met ongeveer 40 wagons. Er kwamen nog zo’n 2000 Hongaren en Polen bij ons. De volgende morgen moesten we de veewagens in, 60 man per wagon. Om ongeveer 11 uur ’s ochtends – de juiste tijd weet ik niet omdat ik mijn horloge verkocht had voor een stuk brood – begon onze tocht die erger is dan ik kan beschrijven. Zes dagen hadden wij niets te eten of te drinken.”

De SS’ers wisten niet waar ze heen moesten met al die gevangenen. Dat had Himmler er niet bij verteld. De trein reed wanhopig van hot naar daar maar een ontsnappingsroute konden ze niet vinden. Dan maar de Elbe in met die trein. En de 8000 inzittenden. Maar al dat gemanoeuvreer van die lange trein had de argwaan gewekt van Amerikaanse verkenners en juist op tijd doken er Amerikaanse tanks op bij de rivier. De SS’ers gooiden meteen hun wapens neer en gingen op de loop. De gevangen werden gered.

Het station van Celle na het bombardement.

Een soortgelijke trein, dit keer met 3400 gevangenen in open veewagons, stond met pech op het rangeerstation van Celle naast een munitietrein, toen 132 Amerikaanse bommenwerpers opdoken om de spoorlijnen onklaar te maken. In 50 minuten tijd dropten de Amerikanen 240 ton aan bommen. Zowel de trein met gevangenen als de trein met munitie werden geraakt. Zo’n 500 gevangenen kwamen om het leven. Wie kon sprong uit de wagons en rende weg, de stad in of naar het bos. Na het bombardement kwamen de SS’ers tevoorschijn uit hun schuilplaatsen om alle gevangenen bijeen te drijven en te voet naar het volgende concentratiekamp te jagen. Wie van de uitgeputte gevangenen het tempo niet kon bijhouden werd doodgeschoten.

Nazidemonstratie in Celle.

Niet alle gevangenen werden gevonden. Die hielden zich schuil in het nabijgelegen bos, het Neustädter Holz of in de verlaten tuinen en schuren van de Cellenaren, die in de schuilkelders zaten. De volgende morgen organiseerde de plaatselijke legercommandant samen met andere SS-eenheid een klopjacht, waaraan ook politie, brandweerlieden, mannen van de Volkssturm, Hitlerjugend en ook burgers van Celle enthousiast deelnamen. Het gerucht werd verspreid dat de ontsnapte gevangenen deels gewapend waren en aan het plunderen waren geslagen – een vrijbrief om hen op de vlucht dood te schieten. Dat was het startschot voor een gruwelijke slachtpartij, die bekend zou worden als de ‘Celler Hasenjagd’. Met menselijke ketens werden de ontsnapte gevangenen opgedreven als bij een jacht op wild. Wie probeerde te ontsnappen werd onmiddellijk doodgeschoten. Hoeveel dat er waren is niet bekend, zo’n 170, waarschijnlijk meer.

De gevangenen die de jacht hadden overleefd werden opgesloten in een geïmproviseerd kamp op een kazerneterrein bij Celle en verder aan hun lot overgelaten. Ze waren er vreselijk aan toe, hadden dagen niet gegeten, waren opgejaagd door een groep moordenaars, hadden heel even de vrijheid geproefd, waren uitgeput en gebroken.

Het Neustädter Holz bij Celle.

Nog nooit heb ik me zo ellendig gevoeld als op deze virtuele vakantiereis. Het lucht me op als mijn Citroën Picasso braaf aanslaat, het display met al zijn metertjes oplicht en we samen de stad Celle kunnen uitrijden. Er is nog wel een monument voor de slachtoffers van de Hasenjagd, maar het stamt pas uit 1992 en lijkt me daarom geen spontaan en oprecht statement. Veel liever ga ik nog even op zoek naar het Neustädter Holz, amper een paar minuten rijden vanaf het hotel. Ik herken het meteen. Het is het bos waar Michel en ik de stilte hoorden jammeren en ik weet nu waarom.

Verder: 5. De ontdekking van Bergen-Belsen.

 

5. De ontdekking van de hel

5 mei 2021

Het is een ritje van amper 30 minuten naar de Lokheide en de herdenkingsplaats Bergen-Belsen. De richting is pal noord via een rustige landelijke weg met hier en daar een boerenhoeve, een ommuurde kazerne en landbouwindustrie. Het is ook de weg waarover de uitgeputte, wanhopige ‘hazen’ in een moordend tempo naar hun eindbestemming werden gejaagd . Op de voet gevolgd door de oprukkende geallieerde legers.

Gevangenen worden opgedreven.

Het bevel van Reichsführer-SS Heinrich Himmler dat de gevangenen in de concentratiekampen niet in handen van de geallieerden mochten vallen was niet langer uitvoerbaar. De volle treintransporten en de dagenlange dodenmarsen konden geen uitweg vinden, de crematoria konden de toevoer niet aan. In het overbevolkte kamp Bergen-Belsen kwam er nog een vijand bij, nog angstaanjagender dan alle andere: een tyfusepidemie in het overvolle concentratiekamp Bergen-Belsen. Besmettelijke ziekten maakten de nazi’s panisch. Himmler gaf liever een van zijn gruwelijke geheimen prijs dan in zo’n besmet gebied te moeten vechten en verordonneerde twee officieren contact te zoeken met de Britten om het kamp Bergen-Belsen aan hen over te dragen. Dat lukte. Er werd een plaatselijke wapenstilstand afgesproken en een gebied van zo’n 48 km2  werd neutraal verklaard. De Duitsers verplichtten zich op alle toegangswegen borden te plaatsen met de waarschuwing ‘Gevaar – Tyfus’. In het kamp veranderde niets, behalve dat het merendeel van de SS-bewakers er geruisloos vandoor ging.

Britse troepen trekken Celle binnen.

De stad Celle, waar ze toch graag naar de vuurwapens grepen, gaf zich zonder een schot te lossen over aan de Britse troepen en wist zo zijn fraaie vakwerkhuizen te sparen. De overwinningsstemming bij de Britten veranderde abrupt toen ze het kamp vonden met de overlevenden van de Celler Hazenjacht: honderden mensen, die geheel aan hun lot waren overgelaten, geen voedsel en geen water hadden, stervende waren en ook al dood. Het was de eerste keer dat ze een groot aantal slachtoffers van de concentratiekampen zagen.

De Britten ontploften bijna van razernij. Ze richtten onmiddellijk een noodhospitaal in voor de 162 gevangenen, die het ergst aan toe waren, en ze ronselden de weldoorvoede Cellenaren om hen te verplegen, te wassen en fatsoenlijk te kleden. Anderen werden gedwongen het kamp schoon te maken. De Britten waren woedend op de huichelachtige Cellenaren en dat heeft vele jaren geduurd. Die woede was wederzijds merkten Michel en ik toen we er in 1961 in militaire uniform een kopje koffie wilden drinken, maar weggestuurd werden door de uitbater – oud genoeg om deelnemer te zijn geweest aan de Hazenjacht.

Ik bereik het plaatsje Belsen. Slechts 400 inwoners, niet in verhouding tot zijn naamsbekendheid. Ik ben er bijna, moet hier linksaf slaan. Dan is het nog twee kilometer. Het is hier kaal en winderig. Ik huiver nu al.

De bevrijders vonden een kamp barstens vol met gevangenen.

Dat er in de buurt van Celle een veel groter kamp was ontdekten de Britten pas drie dagen later, op zondagmiddag 15 april 1945. Een aantal officieren betrad Bergen-Belsen, opgewacht door de kampcommandant en een kleine groep SS ‘ers, maar pas toen ze in het kamp zelf kwamen drong de onmenselijke aard van de plek tot het door. Eén van de Britten: “Er was geen geluid of teken van leven. De gevangenen glimlachten zelfs niet, ze lagen daar een staarden ons aan.” Een andere Brit: “We waren getrainde soldaten. We hadden sinds D-day heel wat gezien. Maar wat we hier zagen, daar waren we niet voor opgeleid. Het was zo vreselijk”.

Het kamp zat barstensvol met gevangenen, 60.000 maar liefst. De omstandigheden waren verschrikkelijk. De gevangenen waren gewoon aan hun lot overgelaten. Er waren nauwelijks britsen, er waren geen sanitaire voorzieningen, geen waterkranen, geen toiletten. Er was ook geen eten. De SS’ers lieten de mensen gewoon creperen. Een tyfusepidemie deed de rest. De gevangenen stierven bij bosjes. Het crematorium kon al die lijken niet aan. In de afgelopen dagen waren de SS’ers bezig geweest zoveel mogelijk lijken weg te werken.  Ze lagen overal. Tweeduizend gevangenen werden ingezet om de lijken weg te slepen naar grote, open kuilen. Massagraven. Zonder rustpauzen en onder de meedogenloze zweepslagen van de SS’ers sleepten ze de lijken voort aan hun ledematen, terwijl de gevangenenkapel op last van de kampcommandant dansmuziek speelde ‘om de stemming te verhogen’. Naar schatting werden op deze manier 17.000 lichamen gedumpt in massagraven.

Een van de vele massagraven.

De Britse bevrijders wisten niet wat ze zagen. Al die doden. Al die half levende skeletten, die apathische blikken, die holle ogen, die luizen overal, die smekende handen om water en voedsel. En dan die vreselijke stank tot in de wijde omgeving. De stemming bij de Britse bevrijders sloeg om van triomf naar verbijstering, woede en wraak. Ze sloegen onmiddellijk alarm. Er moesten onmiddellijk voedselrantsoenen en water aangevoerd worden. Medische voorzieningen. Een noodhospitaal. Bedden. Ziekenhuispersoneel. Duitse artsen, verpleegsters en anderen uit de nabije omgeving werden gedwongen de gevangenen te ontsmetten, te douchen, fatsoenlijk te kleden en te verzorgen. Britse cameraploegen en fotografen legden de verschrikkelijke beelden vast voor de hele wereld en voor de geschiedenis. Zodat deze misdaad nooit en te nimmer kon worden ontkend.

Met de hand ging het niet meer.

De achtergebleven SS’ers werden gedwongen de lijken naar massagraven te slepen. Toen dat te langzaam ging kwamen er bulldozers aan te pas. Ook dit werd vastgelegd door de camera’s. Gruwelijk en aangrijpend om te zien hoe een huilende Britse militair met zijn shovel tientallen vermagerde lijken voor zich uit schoof en dumpte in een grote diepe kuil bovenop honderden andere lijken. Naar schatting werden op deze manier in twee weken tijd 15 tot 20 duizend doden in volstrekte anonimiteit begraven in massagraven.

Gedenksteen voor Margot en Anne Frank uit Amsterdam.

Ondanks deze radicale aanpak van de tyfusepidemie stierven na hun bevrijding nog zo’n 14.000 gevangenen aan ziektes, van uitputting of omdat hun lichamen geen voedsel meer konden verwerken. Vanaf 1943, toen de SS de leiding van Bergen-Belsen overnam, overleefden 50.000 gevangenen het kamp niet. Onder hen twee joodse zusjes uit Amsterdam: Margot en Anne Frank, 19 en 15  jaar oud.

En nu sta ik voor de ingang van het kamp, althans bij de toegang van de plek waar het kamp heeft gestaan. Nadat alle nog levenden uit het kamp waren geëvacueerd staken de Britten alle barakken in brand om een definitief einde te maken aan de tyfusepidemie. Wat rest is een wijde leegte van gras en tegels, dunne rijtjes berkenbomen en treurige haagjes van struiken. De wind glijdt traag langs als een kille slang. Witte wolken vluchten naar de einder. Wat ik voel is godverlaten leegte. Godgeklaagde verlatenheid.

De ingang van de gedenkplaats.

Een groot grijs gebouw herbergt een herinneringscentrum. Ik ga niet naar binnen. Google heeft me genoeg gruwelijke beelden laten zien. Nog meer en op deze plek kan ik niet aan. Achter het gebouw lag vroeger het kamp. Nu een uitgestrekt landschap met hier en daar glooiende heuvels. Op een steen lees ik: Hier rusten 5000 doden’. Vijfduizend. Niet te bevatten. Verderop meer heuvels met immense getallen: 2000, 5000, 1000 doden. Er zijn elf van dit soort massagraven. Waarschijnlijk zijn er nog meer. Een aantal jaren geleden werd nog een grafkuil van 16 x 4 meter gevonden.

Er is heel veel te zien. Veel herdenkingsstenen geplaatst door vrienden en familieleden. En een grote obelisk, in 1952 opgericht door de Britten, waar ieder jaar op 15 april de bevrijding van het kamp wordt herdacht. Ik doe het liever in m’n eentje. Wie hier ooit naar toe was gebracht was overgeleverd aan z’n eentje. Ik dwaal rond maar hoe lang ook ik kan me geen voorstelling maken van wat hier is gebeurd.

Ansichtkaart uit Bergen-Belsen.

Met zekere opluchting verlaat ik de herdenkingsplaats. Ik ben toe aan iets heel anders, een hap frisse heidelucht bijvoorbeeld, een concert, een tenniswedstrijd, als het maar van nu is en niet grijs is. Ik rijd richting Lüneburg, de stad waar ik als militair in 1961 ook gepassagierd heb, maar al na een vier kilometer springt het verleden weer op me af. Ik passeer het laadstation waar de gevangenen van de nazi’s uit hun treinen werden afgezet en naar Bergen-Belsen moesten lopen. Het blijkt ook de plek te zijn waar de kanonnen van onze veldartillerie uitgeladen werden voor de oefening op de Lüneburger Heide. Waarom ontdek ik dat nu pas? Waarom vond niemand het de moeite waard mij te vertellen dat ook de zusjes Frank werden uitgeladen voor hun laatste voettocht? Ik schaam me opnieuw voor mijn onwetendheid en onnozelheid.

Verder: 6. In het voetspoor van Montgomery.