Afschuwelijk mooi

19 april 2020

Marga Minco, de honderdjarige kettingroker.

.Enkele weken geleden werd ze honderd, wat heel bijzonder is voor iemand die de oorlog niet had mogen overleven en sindsdien de ene sigaret na de andere gulzig leeg zuigt. Marga Minco. De VPRO herhaalde een vraaggesprek van tien jaar geleden. Een vrouw die vlot de trappen besteeg van haar Amsterdamse woning maar pas na lang nadenken antwoorden gaf. Te oud voor een laptop of een tablet. Het letterbolletje van een elektrische IBM-schrijfmachine ratelde haar bedachtzame zinnen op papier. Stilte. Denkpauze. Sigaret. Een schrale rookwolk. Nieuwe woorden. Het bolletje roffelde vrolijk verder, legt de woorden neer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aktetas van onze leraar Nederlands zwaait open. Hij gaat op het puntje van zijn tafel zitten, vouwt een spiksplinternieuwe pocket open en zegt opgewonden: ‘Dit moet jullie horen!’
De omslag is foeilelijk. Ik kan alleen de titel lezen: Het bittere kruid, de naam van de schrijver is te klein om te ontcijferen.
‘De ik-figuur Sara, haar broer Dave en zijn vrouw Lotte krijgen een oproep om zich te melden voor arbeid in Duitse  werkkampen’ legt onze leraar uit. ‘Ze weten niet wat daar gebeurt, al zijn er wel sombere geruchten. Lotte voelt er weinig voor om zich te melden, Dave vindt het wel avontuurlijk en Sara eigenlijk ook wel. Om zich voor te bereiden op de reis gaan Dave en Sara kampeerbekers kopen. Zo heet dit hoofdstuk ook: Kampeerbekers.’

Onze leraar Nederlands kan goed voorlezen. Voorlezen is lezen zonder ogen. De woorden vloeien rechtstreeks je hoofd binnen, het verhaal in.

 

Tenslotte kwamen we in een winkel waar ze bekers hadden die hij [Dave] geschikt vond. Het waren rode, inklapbare bekers, van een groot formaat.
‘Wat zal er in komen?’ vroeg Dave aan mij.
‘Er kan van alles in, meneer’, zei de bediende. Melk en koffie, heet geserveerd, of wijn en limonade. Ze zijn van uitstekende kwaliteit, geven niet af en hebben geen bijsmaak. Bovendien zijn ze gegarandeerd onbreekbaar’.
‘Dan zullen we er drie nemen’, zei Dave. ‘Hebt u alleen rode?’
‘Ja’, zei de bediende, ik heb alleen maar rode; maar om te kamperen staat het heel fleurig’.
‘U hebt gelijk’, zei Dave. We gingen de winkel uit. Hij droeg de bekers, waar de bediende een keurig pakje van gemaakt had.

 

Mijn oren tintelen. Zo subtiel, zo kaal en zo krachtig, zo indrukwekkend had ik nog nooit taal gehoord. Zeventien jaar en al veel gehoord en gelezen over de Holocaust, maar nooit zo schrijnend en zo dichtbij. De gotspe dat je drie rode kampeerbekers uitkiest en je afvraagt wat er in zal komen, terwijl de bediende de kwaliteit aanprijst. Vanuit school fiets ik rechtstreeks naar de Zaanlandse Boekhandel op de Dam om de pocket te kopen. Het boekje is flinterdun en geschreven door een vrouw, Marga Minco. Thuis lees ik het in één ruk uit. Ik ben compleet van mijn stuk. Die kale, sobere zinnen en de kracht waarmee ze je treffen. Ik vind het buitengewoon.

Marga Minco overleefde als enige uit een orthodox-joods gezin de oorlog. Twee Duitsers  arresteerden vader, moeder en Marga bij een huiszoeking. Toen haar vader haar vroeg  om hun jassen te pakken, sloop Sara de tuin uit.

 

Zacht trok ik het tuinpoortje achter me dicht en rende de straat uit. Ik bleef rennen tot ik op het Frederiksplein kwam. Er was niemand te zien. Alleen een hond liep snuffelend langs de huizenkant.
Ik stak het plein over. Het was of ik alleen was in een verlaten stad.

 

Maar zo is het in het echt niet gegaan, vertelde Mingo in het vraaggesprek van de VPRO. ‘Het was heavier’, zei ze. Ze hadden afgesproken hoe ze via de tuin zouden ontsnappen als de Duitsers aanbelden, maar toen de bel werkelijk ging, sprongen haar ouders wèl over de schutting naar hun schuilplaats, maar rende Marga, tegen de afspraken in, via de poort de tuin uit. De Duitsers hadden haar ouders snel gevonden.

Ik was achter het tuinpoortje blijven staan, ik had de ster van mijn jas getrokken en stond te luisteren en door het sleutelgat te kijken wat er gebeurde. Ik dacht dat kan niet. Ik wilde het tuinpoortje open doen, maar dat was in het slot gevallen. Toen heb ik enorm staan bonzen op dat tuinpoortje, terwijl een kerel nog in de tuin was. Die vent kwam op dat tuinpoortje toe en deed het open. Voordat hij iets kon zeggen zei ik: ik woon hier. Nou, ga maar mee naar binnen, zei hij.
Ik moest de ster weer op mijn jas naaien. Dat heb ik in de tuin gedaan. Toen ik tenslotte weer binnen kwam, zei mijn vader: haal ook onze jassen even. In de gang heb ik mijn jas met de ster aangetrokken en ben ik weglopen, via het tuinpoortje en het steegje. Huppakee weg, terwijl die kerels nog met mijn ouders in de kamer stonden.

 

Het gezin Voeten: Bert Voeten, de dochters Betty en Jessica, Marga Minco.

Het duurt even voor ik Het bittere kruid teruggevonden heb tussen mijn boeken, die al jarenlang rug aan rug staan te hopen om nog eens geopend te worden. Het is nog dunner dan ik al dacht en de omslag nog lelijker. Berserik is de maker, de door mij bewonderde schilder en graficus Herman Berserik. Dat valt tegen. Als het boekje zelf dan ook maar niet tegen valt. Volgens de uittreksels van scholieren op het internet  heb je het in anderhalf uur uit. Ik doe er twee keer zo lang over, maar lees veel zinnen en passages twee of drie keer om tot het uiterste te genieten van Minco’s taalgebruik. Het bittere kruid is nog altijd een pronkjuweel.

Als ik het weer gelezen heb, blader ik het nogmaals door om de illustraties te bekijken. Die zijn me destijds nooit opgevallen, maar nu vind ik ze buitengewoon mooi. Ruwe lijnen, wanhopig vaak en verstild, gemaakt met hoekige pennen, verdroogde penselen, houtjes en takjes. Herman Dijkstra heet de krabbelaar. Nooit van gehoord. In het tijdschrift Maatstaf uit 1976 vertelde hij hoe hij de illustraties voor Het bittere kruid heeft gemaakt.

 

Ik zette mijn penselen in de stijfsel  en als die droog waren, trapte ik erop en dan draaide ik hem onder mijn hak rond, zodat het in plaats van een kwast een pluim werd, zal ik maar zeggen. Maar het ging niet in de eerste plaats om die pluim. Daar kwamen dan wat haren uitzetten waar ik hele dunne lijnen mee kon krijgen. Ik kon ook onverwachte lijnen krijgen, ik kon er alles mee doen.

 

Dijkstra’s illustraties passen wonderwel bij het verhaal van Mingo. Donker, ingehouden, suggestief.

Herman Dijkstra maakte prachtige illustraties.

Voor in het boekje staat als motto: ‘Er rijdt door mijn hoofd een trein vol joden, ik leg het verleden als een wissel om ..’  dat ik als 17-jarige behoorlijk indrukwekkend en mysterieus vond. Zelfs zo dat ik voor 2 gulden 50 de dichtbundel Menselijkerwijs kocht van dezelfde Bert Voeten. Dat hij in 1944, in de oorlog getrouwd met Mingo wist ik niet. En ook niet dat Voeten niet als een groot dichter geldt. Dat ik het nu wèl weet, deert mij niet. De treinwielen bonken nog even wanhopig als toen.

De eerste twee coupletten van Bert Voetens langere gedicht:

DE TREIN

Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om en ik tel
de veewagons met de grendels:
vijftig wagons, in elke
wagon vijftig mensen. Men ligt
geklemd tussen ledematen,
men is drager of gedragene,
gevangenen van elkander
in het duister van de wagon
in het duister zonder water
zonder lucht
zonder hoop.

Het is twaalfhonderd kilometer
naar sobibor – ik heb het
op een avond uitgerekend
met een kaart van europa voor me.
Zij wisten het niet, zij wisten
alleen dat hun wervels kneusden
tegen de baddings, hun tong
zwol als een blaar, hun ogen
schrijnden, hun voeten dood
in hun schoenen staken; zij leerden
dat men na twee, drie dagen
zijn water laat lopen, zijn nagels
gebruikt om ruimte te krijgen
wanneer men; ligt op het harde
lichaam van een gestikte.

—-

Marga Minco werd geboren op 31 maart 1920, Bert Voeten leefde van 1918 – 1992. Ze trouwden in 1944 en kregen twee dochters Betty en Jessica. Herman Dijkstra leefde van 1908 – 1976.
Maarten Schmidt & Thomas Doebele maakten in 2010 voor de VPRO de documentaire ‘Marga Minco – De schaduw van de herinnering’.