Archief ‘schilders’ categorie

Weg van Godfried Bomans

8 januari 2026

De donkere decemberdagen zijn het ideale moment om weg te duiken in een dik boek, dat je al veel eerder had willen lezen, maar waarvoor je pas nu de rust en de ruimte hebt. Vleugelman Godfried Bomans 1913 – 1971 dus, de biografie over één van mijn literaire helden, de eerste schrijver van wie ik ooit, van eigen zakgeld, een boek kocht: Erik of Het klein insectenboek.

Dat moet omstreeks 1953 geweest zijn, toen ik in klas 1 van het lyceum zat. Daar werd ook letterkunde gegeven, van hele oude tot de allernieuwste. Ook Erik kwam er ter sprake, heel bijzondere sprookjesachtige literatuur waar je smakelijk om kon lachen. Buitelende zinnen met bizarre wendingen. Het deed me meteen naar de boekhandel rennen, want Erik was uitgegeven als pocketboek en kostte slechts 1 gulden 25. Geen geld, vond ik. Later heb ik heel wat van die Prisma-pockets gekocht: alles van Bomans, maar ook de complete werken van Charles Dickens en nog veel meer. De pockets waren gedrukt op goedkoop krantenpapier, maar zijn na ruim 72 jaar nog steeds goed leesbaar.

       

De biografie Vleugelman lag al maanden op mij te wachten en ik was er vreselijk nieuwsgierig naar. Ook al omdat ik wel eens met schrijver Gé Vaartjes heb samengewerkt en hem heb leren kennen als een erudiete literator, die mij alles wist te vertellen over de schrijver Herman de Man. Alles over Bomans blijkt een fors boek op te leveren,  een zware pil, van 1.288 gram om precies te zijn. Het boek is 5,5 cm dik, meet 23 x 15 cm en is gedrukt met een niet al grote letter. Het telt 824 pagina’s. Donker december bood me eindelijk de kans om de klus te klaren.

Ik was nog maar op één-tiende van Vleugelman, toen ik het boek moest neer leggen. Op pagina 83 was Godfried Bomans met Betty Straatmans, zijn eerste vriendinnetje, naar de bioscoop geweest, maar was ‘m na afloop gesmeerd en had haar moederziel alleen achtergelaten in de fietsenstalling. Dat vond ik nogal schofterig van Bomans. Maar Gé Vaartjes voegde er vergoelijkend aan toe: ‘In 1946 was er nog even schriftelijk contact tussen hen (..) Beiden waren toen al getrouwd. Betty met de Blaricumse kunstenaar Frits Giltay.’

Godfried Bomans zat moeilijk in elkaar.

Ik vergat meteen mijn verontwaardiging. Giltay? Dat was iets heel bekends. Maar hoe dan? Alle schakeltjes in mijn hoofd begonnen te zoemen. Ik probeerde er een beeld bij op te roepen. Wat was het? Een ding? Of een mens? Een Fransoos, een Engelsman? Groot of klein? Boos of leuk? Bruin, geel, rood? Ja, rood, donkerrood, letters, geverfd, linksonder!  Ja!! Toen wist ik het: de signatuur op het schilderij waarmee ik ben opgegroeid. Dat altijd in onze woonkamer heeft gehangen.

Het vale doosje in mijn hoofd, waarin ik mijn oorlogsherinneringen heb weggestopt, knalde weer open. Meteen stonden de gezichten van mijn ouders weer voor me. Vader opgewonden en trots, moeder sceptisch, laatdunkend, niets voor haar. De tafel lag vol met opengescheurd dun karton, de verpakking van wat vader uit Amsterdam naar huis had gesleept: een nogal fors schilderij. Een stilleven. Officieel Bloemstuk geheten. Met inderdaad linksonder, bijna tegen de imposante lijst aan, zes houterige letters:  G I L T A Y.

Ons schilderij: ‘Bloemstuk’ van Frits Giltay.

Moeder liet duidelijk merken dat ze er niks aan vond. Uitgebloeide bloemen, slaphangende stelen. Zo’n bos bloemen hoorde in de vuilnisbak, vond ze, niet bij ons aan de wand. Juist wel, meende vader, het is kunst van de bovenste plank. Dat werd automatisch steeds meer waard. In De Telegraaf van 31 augustus 1944 stond al een lovende recensie met foto. Giltay is de zoon van ook een kunstschilder en mocht in 1935 de koninklijke subsidie voor jeugdige kunstschilders ontvangen. Hij houdt erg van landschappen, maar de recensent vond zijn stillevens karakteristieker. Vader had het schilderij onmiddellijk gekocht, voordat een ander er mee van door ging.

Vader loste het probleem op door een paar weken later nog een schilderij te kopen, dat wel in de smaak viel bij moeder: rode papavers met stevige stelen.  Het was net als het eerste kunstwerk voorzien van een indrukwekkende lijst. Ze kwamen voor altijd tegenover elkaar te hangen in onze woonkamer.

Dat leverde later wel problemen op toen vader op een ander adres een sigarenwinkel begon in de voorkamer en de kleine achterkamer onze woonkamer was. Ook daar hingen de twee schilderen tegenover elkaar, maar dikwijls schots en scheef. Het was er zo smal dat je al gauw tegen een van de uitbundige lijsten stootte als je erlangs wilde en het schilderij scheef kwam te hangen. Tot mijn verbazing ging vader akkoord met mijn voorstel om de twee lijsten naar zolder te brengen en om de schilderijen een eenvoudig tengellatje te timmeren. Zo hingen ze tegenwoordig ook in het Stedelijk Museum in Amsterdam, verzekerde ik hem. Als je het maar voorzichtig doet, sprak hij met tegenzin.  En zo waren weer bij de tijd en konden we ons wat makkelijker om de eettafel bewegen.

De lijsten werden teruggeplaatst toen vader zijn zaak van de hand deed en voorgoed elders ruimer ging wonen. De twee schilderijen namen hun oude posities weer in en waren ook getuige toen vader onder het Veldboeket van Giltay zijn laatste adem uitblies. Bij het ontruimen van het huis bleek dat geen van de kinderen interesse had in de twee schilderijen, zelfs niet in één van de twee, zelfs niet in het gesigneerde schilderij. We waren er na al die jaren op uitgekeken. Het was nooit een duur topschilderij geworden. Dus weg ermee.

Korenschoven’. Giltay hield van landschappen.

En nu knalt Frits Giltay plotseling uit het niets omhoog, dat ik in Vleugellam op pagina 83 dicht sla om uit te zoeken of er op Google inmiddels nog te vinden over de kunstschilder. Dat valt niet tegen. Fredericus Johannes Giltay was 37 jaar oud toen vader Bloemstuk kocht, had al faam verzameld en behoorde tot de groep Onafhankelijken, die regelmatig exposeerde in het Stedelijke Museum, Parijs en Amerika. Hij was in 1939 getrouwd met Betty Straatmans bij wie hij vijf kinderen verwekte, het laatste in 1946, een jongen die Godfried werd gedoopt en Goof werd genoemd. Het incident in de fietsenstalling was kennelijk vergeten of vergeven. Een jaar later verhuisde Giltay naar Brugge met een nieuwe liefde: Anne Kuijer met wie hij zeven kinderen kreeg: zes meisjes en één jongen. Hij bleef vooral landschappen en stillevens schilderen. In 1968 werd in het concertgebouw van Brugge een grote expositie van zijn werk gehouden. Twee jaar later stierf hij, 63 jaar oud. Op zijn graf staat een buste van Giltay, gemaakt door beeldhouwer Lamnoye. Een recente bezoeker liet op internet weten: ‘Ik heb hem persoonlijk gekend, een aimabele man. Heb een paar werkjes van hem.’

Het graf van Giltay in het Belgische Brugge

Google diept voor mij ook wat ‘werkjes’ van Giltay op: Heuvelend Landschap, Veldweg in de zomer, Zeilboten in Stadshaven (Honfleur denk ik), Bloemen (met rechte stelen), Boerderij in Blaricum (aquarel), Vaas met bloemen, Korenschoven. En dan, totaal onverwacht, bij een kunstmakelaardij in Oirschot, Bloemstuk, ons Bloemstuk! Zonder lijst maar met alle kleuren, die Giltay heeft gebruikt. Het leeft dus nog steeds! Mijn eerste opwelling is: kopen, net als mijn vader heeft gedaan. Maar dat doe ik natuurlijk niet, ben wel nieuwsgierig naar hoeveel je er nu voor moet betalen. Onzin. Ik weet niet eens hoeveel mijn vader er destijds voor heeft betaald. Een ander mag het hebben.

Gé Vaartjes was ruim 20 jaar bezig met ‘Vleugelman’

Ik pak de vuistdikke Vleugelman weer op en laat me weer meeslepen door die ongelukkige Godfried Bomans, grandioos weer tot leven gebracht door Gé Vaartjes. Hij heeft er ruim twintig jaar over gedaan. Wat een volharding en wat een meesterwerk! En wat een spannend verscholen zijweggetje wees hij aan!

 

Dringen in het museum

8 februari 2020

De schilder Claude Monet in zijn bloementuin in Giverny.

Al vier keer ben ik bij hem langs geweest op zijn mooie landgoed aan de Seine, maar nu hij een bezoek brengt aan Nederland kan ik natuurlijk niet wegblijven: Claude Monet, allereerste impressionist, onstuitbare kunstschilder, kleurengoochelaar. Maar de tijd dringt. Nog maar een paar weken en de tentoonstelling Monet – Tuinen van verbeelding wordt gesloten en reizen zijn reusachtige schilderijen terug naar huis. En -eerlijk gezegd– heb ik nog nooit één van die schilderijen in het echt gezien.

Claude Monet is een van mijn favoriete schilders. Ik bewonder hem om zijn lef, zijn werkdrift, zijn artistieke honger, zijn kunstzinnige genialiteit en omdat hij mij heeft laten zien hoe mooi mijn oerlelijke geboortestreek ook kan zijn. Hij bracht een deel van zijn huwelijksreis door in Zaandam en raakte er verliefd op de slome Zaan met zijn trage schuiten en zijn wiebelende weerspiegelingen. In mijn jeugd stonk de rivier als een rottende rat, maar op zijn schilderijen flirt de Zaan als een jonge schoonheid met het licht, het water en de lucht.

Niet alleen Monets schilderijen zorgen voor opzien, ook zijn levenswandel. Hij heeft een niet al te heimelijke relatie met Alice, de echtgenote van zijn weldoener, de kunsthandelaar Ernest Hoschedé, waardoor meerdere schilders zich van hem afkeren en er flink over hem wordt geroddeld. Monet lijdt er niet onder, zo lang hij maar een penseel in zijn hand heeft. Zijn werk levert nauwelijks iets op, Hoschedé gaat failliet en krijgt met vrouw en zes kinderen onderdak bij Monet. Die woont inmiddels in  Giverny, op het inmiddels wereldberoemde landgoed aan de Seine. Daar overlijdt  onverwachts en tot zijn  groot verdriet zijn  vrouw Camille.  Hoschedé, die al veel eerder uit  Giverny is vertrokken, sterft niet veel later. Monet trouwt dan met Alice.  Zijn zoon Jean trouwt later met de dochter van Alice, Blanche. Zij zal haar schoonvader liefdevol verzorgen als die oud en gebrekkig is en lijdt aan een hinderlijke oogziekte.

De tuinen van Monet: het drukste plekje van Normandië.

Het Monet-huis in Giverny is tegenwoordig een van de drukst bezochte plekken van Normandië, maar toen de kunstschilder er heen trok was het er nog stiller dan een zondagmiddag op onze Veluwe. Hij heeft zich in dit boerengat teruggetrokken om ongestoord de natuur te schilderen en creëert er een waar paradijsje met altijd bloeiende bloemperken en exotische waterlelies in verstilde vijvers. De boeren protesteren tegen de bizarre plannen van de schilder. De exotische planten zouden het water vergiftigen en hun vee doden.

Monet schildert er aan een stuk door ‘waterlandschappen’. Zijn wereld verschrompelt tot een kalme vijver, overspannen door een Japans bruggetje en met eindeloze weerspiegelingen. in honderden kleuren. Terwijl de kanonnen van de (eerste) wereldoorlog bulderen, is hij druk in de weer om acht gigantische doeken van de vijver te schilderen.  Hij schenkt ze aan de Franse staat in de hoop op een Monet-museum. Dat komt er niet, maar Monet blijft obsessief werken aan zijn gigantische schilderijen, tot op de dag van zijn dood. Onder grote publieke belangstelling wordt hij begraven, maar bloemen ontbreken. Bloemen plukken in zijn tuin vond Monet ‘heiligschennis’.

Een jaar later worden de acht panelen tentoongesteld in twee nieuwe ovalen zalen in het Orangerie-museum van Parijs, twee meter hoog en samen 91 meter lang. Er klinkt veel kritiek en afkeuring en allengs wordt het heel stil bij de waterlelies.

Het is dringen geblazen in het Haagse Kunstmuyseum.

Kunstmuseum Den Haag, donderdag 11.00 uur.

Dat is nu wel anders. Er staat een lange rij voor de kassa van het Kunstmuseum in Den Haag, maar ik loop die hele grijze sliert voorbij met mijn Museumkaart. Een suppoost wijst me terecht: ik moet terug naar Af, achter de rij aansluiten en bij de kassa een toeslag van € 3,50 voor deze expositie betalen. Het duurt ruim 20 minuten eer er een kostbaar stickertje op mijn Museumkaart is geplakt en ik eindelijk het museum mag betreden, naar binnen gestuwd door een grijze golf. de trap op, Monet – Tuinen van verbeelding binnen. Veertig internationale topstukken bijeen, juicht de folder. Plus 400 toeschouwers, voeg ik er aan toe. Er is geen doorkomen aan. Ik zie wat flarden en heb het snel gezien.

Nana’s van Niki de Saint Phalle stemmen je vrolijk.

Museum Beelden aan Zee, donderdag 12.00 uur.

Nog geen kwartier later suis ik per tram naar Scheveningen, de frisse, lege boulevard, het eigenwijze  museum Beelden aan Zee. Ook hier een toeslag van € 3.50 voor een stickertje en een kakofonie van kwetterende senioren. Een reusachtige groep grijze toeristen is er neer gestreken voor de lunch. Een buitenkansje! Als ik een beetje opschiet kan ik bijna in mijn eentje de bizarre, kleurrijke sculpturen van Niki de Saint Phalle op me in laten werken. Dansende, voluptueuze Nana’s in vrolijke badpakken. Daar wordt een mens weer blij van.

Babylijkjes gaan schuil achter haar sluier.

Niet alles is vrolijk. Er is een witte bruid met achter haar sluier tientallen babylijkjes. Niki had –op z’n zachtst gezegd– geen vrolijke jeugd. Ze is van aristocratische komaf, een rijke Franse vader (bankkier) en een Amerikaanse moeder. Als hun kapitaal verdampt door de beurskrach krijgt Niki de schuld van hun armoede. Vader is moeder ontrouw en vermaakt zich met moeders vriendinnen en Niki’s gouvernante. Moeder wil dat ze een rijke respectabele man zal trouwen. Vader pleegt ongeremde incest als ze borsten begint te krijgen, wil een minnares van haar maken. In de psychiatrische inrichtingen, waar ze uiteindelijk belandt, ontwikkelt  ze zich tot een vrije, onafhankelijke kunstenaar, die een machtige vrouw wordt in de door mannen gedomineerde kunstwereld.

De energieke senioren zijn uitgeluncht , fladderen opgewekt op de Nana’s af en maken een einde aan mijn overpeinzingen. Vlug naar buiten, blik  op de zee, ruimte om na te denken. Prangende vraag: is de Museumkaart een zegen of een vloek?

Museum Singer Laren, dinsdag 15.00 uur.

Met sombere voorgevoelens bezoek ik, dichter bij huis, de groot aangekondigde expositie Spiegel van de ziel in het Singer. Altijd interessant en uitermate rolstoelvriendelijk. Maar wat een opluchting: de zalen zijn dunbevolkt en fluisterstil. Aan de wanden spinnen de schilderijen van genot en laten zich behaagziek bewonderen. Zo willen ze het graag hebben. Ik ben de enige die de aangename stilte verstoor als ik de stemmen van de directeur en de gastcurator uit mijn audiotour al te luid laat klinken. Drie boze blikken is mijn loon. Wat een verrukking om zo’n museum zo dichtbij te hebben. Toch ook toegankelijk met Museumkaart en zonder toeslag.

In Singer Laren is het aangenaam rustig.

Museum Hilversum,  maandag 14.00 uur.

Nog dichter bij huis is onder veel mediabelangstelling nog een expositie geopend: de Zilveren Camera met de beste nieuwsfoto’s van 2019. Ik ben er een dag later met Museumkaart en geen toeslag. En ook geen kwetterende knarren. Doen ze ’s middags een dutje? Er heerst een aangename rust en ik krijg alle tijd en ruimte om de vaak schrijnende foto’s op me te laten inwerken. Vooral door het grote formaat  treft het beeld je als een bokshandschoen. Bijna levensgroot voltrekt het diepe leed zich voor je ogen. Een uittocht van duizenden vluchtelingen door een verre woestijn, grandioos vastgelegd door de camera van Eddy van Wessel. Oudtestamentische beelden in de wereld van nu.
En, vraagt een vrijwilliger als ik weg ga. Zeer indrukwekkend en zeer rustig, antwoord ik.

De Zilveren Camera: Immens leed trekt voorbij.

 

Ton Schultenplein 1

14 januari 2014

Tom Tom weet niet waar Oostmarsum ligt, maar het is geen straf om in dit deel van Overijssel zelf je weg te zoeken. Het einde van het jaar ligt als een gestikte lapjesdeken uitgespreid over de akkers en de velden. Rijtjes dunne bomen staan zwijgend te wachten op niets. Coulisselandschap. Ik zag het eerder dat jaar in Normandië, waar het de geallieerde opmars vertraagde en veel levens kostte. Hier kunnen ze geen kwaad, het krijgsgeweld passeerde als een man op een fiets.

Midwinterhoornblazer  van Kip-Ruiter

Midwinterhoornblazer van Kip-Ruiter

Het stadje blijkt Ootmarsum te heten, zonder s. Je bent hier in het oostelijkste deel van het land, dicht bij de Duitse grens, dus de naam Oostmarsum had niet misstaan. Bij Oot moet ik denken aan haver en zeker in deze donkere adventsdagen aan ootmoed: nederigheid. Z’offerden ootmoediglijk, mirr’, wierook ende goud. Hoe vaak heb ik dat oude kerstlied gezongen. Oot wordt er niet verbouwd, wel siepel, uien. En er is een erg on-nederig klooster, dat met zijn metershoge muren hooghartig heerst over huis en heem. Binnen is een expositie van kerststallen, die vooral laat zien hoe kolossaal het gebouw is. De eega koopt twee hoogglanzende engelen, eentje voor een euro, de ander voor twee. We laten het breed hangen als we een uitstapje maken.  (meer…)

Zaanstreek door vreemde ogen

12 april 2013

Zaanse huisjes

Zaanse huisjes op elkaar gestapeld als een bergdorp. Gekker kan het niet, want neregens ter wereld is de aarde zo vlak als in de Zaanstreek. Het schilderij is het eerste wat je ziet van de expositie HollAnders, tot voor kort in het Zaans Museum. ‘Kunstenaars met een beperking geïnspireerd door de Zaanstreek’, luidt de ondertitel.

Het Zaanse landschap met zijn water, zijn weilanden, zijn molens en zijn huisjes wekt bewondering tot ver in het buitenland. Dagelijks zwermen horden toeristen over de Zaanse Schans en laten hun camera’s klikken. Iedere seconde worden er zeker tien foto’s gemaakt. Veertig kunstenaars van Jans Pakhuys uit Amersfoort lieten zich ook inspireren door de Zaanstreek. Ze bezochten de streek, de Schans, het museum, het Verkade-paviljoen, de machines. Terug in Amersfoort slingerden ze hun impressies op doek en papier. (meer…)

Wat vind ik op de heide? (3)

9 november 2009

schapen mauve

Natuurlijk is er nog veel meer historie te vinden op de heide: bijvoorbeeld de duizenden voetstappen die de schilder Anton Mauve er heeft gezet. Mauve is weer actueel door de grootste overzichtstentoonstelling ooit van zijn werk in twee musea, Teyler in Haarlem en Singer in Laren.

Mauve is voor velen synoniem geworden met de Gooise heide en haar schapen, die hij honderden malen heeft geschilderd, van achteren als ze de heide opgingen en van voren als ze terugkeerden. De Amerikanen waren dol op Mauve’s schapenkuddes, vooral op de sheep coming. Daarvoor betaalden ze graag meer dan voor de sheep going.

Foto: ‘Sheep going’ van Anton Mauve. (meer…)

Op bezoek bij mooie Marie

29 juni 2009

Buvette de la Plage in Le Pouldu

De twee dames in de tuin schrikken zichtbaar als ik daar opduik. Wij willen de herberg waar de schilder Paul Gauguin gelogeerd en gewerkt heeft wel eens van binnen zien, maar er is niemand achter de kassa om ons toegangskaartjes te verkopen. Dat geeft te denken over de kwaliteit van wat ons te wachten staat, maar ik zet door. 120 jaar na de grote meester ben ook ik in Le Pouldu beland en bereid hem met te eren met een bezoek aan zijn tijdelijk onderkomen.

De dames doven snel hun sigaretten en maken duizend excuses in zulk rap Frans dat ik die snel wegwuif.
Je suis Hollandais. Voulez-vous parler plus lentement? probeer ik, maar dat maakt het alleen maar erger.
Hollandais? Parlez-vous Anglais?
Op Hollanders zijn de twee dames kennelijk niet berekend, maar ze kopen snel bedenkttijd.
Gaat u alvast maar naar de kelder, stellen ze voor, dan kunt u alvast de film bekijken.
Dan zijn ze ons even kwijt.

foto: Voor la Buvette de la Plage in Le Pouldu.

(meer…)

Pughie

28 oktober 2008

Zaanlands Lyceum aan de Westzijde te Zaandam

Ik weet niet waarom hij me nooit eerder was opgevallen want opvallender vent dan die van top tot teen in zwart geklede knul met zijn zware bril, zijn priemende, spottende ogen, zijn steil achterover gekamde stekelige haar, de loeiende pukkels op zijn gezicht en zijn trage gang, had ik nog nooit opgemerkt. Een peterolieboer of gasopnemer zou je denken. Maar hij was een regelrechte sensatie. Hij bleek niet alleen alles te weten van Vestdijk, Claus, Nescio en al onze andere literaire goden, maar hij schreef zelf ook de krankzinnigste gedichten. Pughie.

Foto: Het Zaanlands Lyceum aan de Westzijde te Zaandam.

(meer…)