1. Bloemen voor de bezetters

5 mei 2025

De lente is weer aangebroken in de Hendrick de Keyserlaan van Hilversum.

Het zijn weer de meidagen. Ik heb zojuist de vlag uitgestoken, klim van het wiebelige trapje af en wacht op moment dat de wind ook haar zal vinden. Een vlag moet wapperen. Geen mooier gezicht dan een straat vol wapperende vlaggen. Ik denk dan terug aan die dag dat eindelijk het rood-wit-blauw weer uitgestoken kon worden. Aan hoe het was om in die oorlog te wonen in de Hendrick de Keyserlaan van Hilversum. Kijk, de vlag doet het!  Hij strekt zich vrolijk uit en wappert mee met de hele straat. Ik klap het trapje in en loop het huis in. Hoogste tijd om eens te achterhalen wat zich tussen 1940 en 1945 zoal afspeelde rondom ons huis.

Deel 1 van 5 afleveringen

Het eerste oorlogsgeweld dat in de Hendrick de Keyserlaan  te horen was  waren heftige explosies, gevolgd door zwaar gedreun en geraas. Dat gebeurde al in de nacht van maandag 13 op dinsdag 14 mei 1940, omstreeks 5 uur. Op het NSF-terrein aan de Jan van der Heijdenstraat (het huidige Seinhorst) werden door het Nederlandse leger drie hoge zendmasten opgeblazen. Dat gebeurde in opdracht van de regering in Den Haag. De radiozenders mochten niet ongeschonden in handen vallen van de aanstormende Duitse troepen. Twee masten stortten met een griezelig gekraak en zwaar gedonder ter aarde. De derde mast, 140 meter lang, kwam alleen maar scheef te hangen. Overdag werd het nog eens geprobeerd. Nu viel de mast wel om maar belandde op nummer 111 in de Meteorenstraat en veroorzaakte flink wat schade.

De derde zendmast trof een huis in de Meteorenstraat.

De explosies op het terrein van de NSF, de Nederlandse Seintoestellen Fabriek, zullen ook de ruiten in de Hendrick de Keyserlaan hebben doen trillen. Ze stonden niet verder dan hemelsbreed 500 meter van onze straat. Maar daar woonden we nog niet, sterker nog: ik woonde nog nergens. Ik zou pas over een maand geboren worden, in de Zaanstreek. Onze huidige woning kochten we ver na de oorlog, in 1973, toen niemand meer sprak of dacht aan die verschrikkelijke oorlog van 1940 tot 1945. Dat is gelukkig inmiddels wel veranderd.

Duitse Messerschmitts in de lucht.

Duitse Messerschmitts raasden door de lucht.

Drie nachten eerder had Hilversum al kennis gemaakt met oorlogsgeweld verder weg.   In de nacht van vrijdag 10 mei 1940 waren Duitse Messerschmitts over het vliegveld van Hilversum geraasd, terwijl de Duitse nazitroepen Nederland binnenvielen. Kazernes en vliegvelden werden gebombardeerd. Vrijwel de complete Nederlandse luchtmacht werd uitgeschakeld. Op vliegveld Hilversum werden de hangar en vier vliegtuigen zwaar getroffen.  Vijf in het bos verscholen vliegtuigen werden over het hoofd gezien en zouden die eerste oorlogsdag nog deelnemen aan de gevechten tegen de Duitse agressor. Kort daarop, om 5.46 uur, ontwaakte radio-Hilversum om Nederlandse schepen op zee te waarschuwen voor Duitse onderzeeboten en aan te raden snel veilige havens te zoeken. Nederland was in oorlog geraakt.

Het station van Hilversum had veel passagiers te verwerken.

In Hilversum wemelde het van de militairen. Sinds in juli 1939 het Nederlandse leger reservisten had opgeroepen vanwege een dreigende oorlog met Duitsland was Hilversum groener dan ooit, legergroen. Er werden hier heel wat legeronderdelen gelegerd: een pontonafdeling, een bewakingsdetachement op NSF-terrein, een verlichtingsafdeling, een militaire trein, een depot voor verbandmiddelen en nog meer van dat oorlogstuig. Maar vooral na 24 augustus 1939, toen alle reservisten werden opgeroepen, was het ongekend druk geworden. Inwoners keerden gehaast terug van hun vakanties, toeristen maakten dat ze wegkwamen. De treinen vervoerden alleen nog maar de opgeroepen militairen. Forensen moesten thuisblijven. Auto’s en paarden werden gevorderd door het leger. Overal op straat kwam je militairen tegen, vaak dronken. 35.000 zandzakken werden afgeleverd om de belangrijkste gebouwen te beschermen.

Aangeraden werd om ’s avonds binnen te blijven. Alle huizen en gebouwen moesten dan verduisterd zijn, zodat vliegtuigen ze niet konden zien. Hilversum was vooral bang voor aanvallen vanuit de lucht. In 1937, tijdens de Spaanse burgeroorlog, had de nazi’s hun nieuwe luchtmacht uitvoerig getest op de Baskische stad Guernica, waarbij een derde van de bevolking werd gedood of gewond. Daarom zag de luchtbeschermingsdienst in Hilversum er scherp op toe dat alle huizen en gebouwen goed verduisterd waren.

Ruim buiten Hilversum was de Nieuwe Waterlinie geactiveerd om een Duitse inval te remmen, in ieder geval te vertragen. Het binnengelaten water was ver van Hilversum gebleven maar de polders bij Kortenhoef, Weesp en Horstermeer stonden wel blank. De bevolking van Kortenhoef was geëvacueerd naar Castricum.

Nu, al op de vierde oorlogsdag, kregen alle Nederlandse troepen in Hilversum bevel zich zo snel mogelijk terugtrekken, richting waterlinie. Dat gaf heel wat herrie in onze buurt. In de school aan de Snelliuslaan waren 250 man motorartillerie gelegerd. Toen ze met z’n allen haastig plankgas gaven, leverde dat een kabaal van jewelste op. Ongeveer op hetzelfde moment was op het NSF-terrein aan de Jan van der Heijdenstraat opnieuw een luide knal en veel geraas te horen. Nu stortte de derde zendmast eindelijk wel omlaag – maar niet op de juiste plek – en konden ook de bewakingstroepen er als hazen vandoor gaan.

In de Snelliusschool – 200 meter van onze buurt straat – waren Nederlandse militairen ingekwartierd.

Nog voor 13.32 uur, toen de eerste Duitse bommen op de stad Rotterdam werden gegooid en Nederland knock-out werd geslagen, lag Hilversum er leeg en verlaten bij, slechts beschermd door de 35.000 zandzakken, De radio bleef het nog steeds doen – tot mijn verbazing: de drie zendmasten waren toch onklaar gemaakt! Het had slecht nieuws. In een rechtstreekse uitzending maakte om 19.00 uur generaal Winkelman bekend dat het Nederlandse leger gecapituleerd had. Ook koningin Wilhelmina verscheen op de radio. Zij bleek naar Londen te zijn gevlucht. “Doet alles wat u mogelijk is in ’s lands welbegrepen belang. Wij doen het onze. Leve het vaderland! ‘sprak de koningin.

De koningin sprak vanuit Londen het bezette Nederland toe.

Een lange stoet Duitse infanteristen trok Hilversum binnen, de meesten op de fiets. Niemand die ze tegenhield. De Duitsers vorderden de Rembrandtschool aan de Rembrandlaan, een trotse creatie van de architect Dudok, met 12 lokalen en nog veel andere vertrekken, maar nooit bedoeld om vijandelijke troepen onderdak te geven. De Duitse officieren kozen voor het luxe Hotel Gooiland om daar in alle rust en met alle luxe verdere orders af te wachten. Er was geen schot gelost.

Bij de AVRO werden de Duitsers heel vriendelijk ontvangen.

Ook de eenheid van de Duitse Propaganda Kompanie die met drie voertuigen achter de Duitse troepen was meegereden, werd geen strobreed in de weg gelegd. Bij de ingang van de AVRO-studio aan de ’s-Gravelandseweg stond men zelfs met bloemen klaar toen de Duitsers er binnen marcheerde met de mededeling dat ze mochten blijven uitzenden, zolang er geen anti-Duitse programma’s bij waren. De AVRO ging meteen akkoord. De andere omroepen bleken ook geen bezwaren te hebben.  Op het Melkpad werden onmiddellijk twee panden gevorderd voor de Duitse Rundfunk-betreuungsstelle, die voortaan de programma’s van tevoren inhoudelijk ging controleren. Opluchting in omroepland.

Niet lang erna werden er de eerste Joden op straat gezet.

De populaire radioreporter Han Hollander werd snel ontslagen.

Volgt 2: Bewakers waren linke lui

2: Bewakers waren ‘linke lui’

5 mei 2025

Zal een bewoner uit 1940 de Hendrick de Keyserlaan van nu nog herkennen? Natuurlijk wel. De karakteristieke huizen met hun fraai bakstenen metselwerk en ingetogen versieringen, hun hoge pannendaken, hun brede goten en royale voortuinen zien er op het eerste oog nog net zo uit als toen.

Deel 2 van 5 afleveringen

“Fijne huizen”, herinnert zich Wim Lassing, nakomertje in het gezin dat in Hendrick de Keyserlaan 14 woonde. “Het was een gezellig huis, met een beneden, boven en een zolderverdieping. Aan de straatkant was een tuintje en achter een tuin met fruitbomen en een kippenhok. Het was een leuke, onbezorgde tijd in een beschermde omgeving.” De jaren voor de oorlog, bedoelt hij.

Wim zou nu verbaasd kijken naar de glanzende grijze platen, die in een onregelmatig patroon op de dakpannen zijn vastgezet. En zich verbazen over al die verschillende tuinhekjes en voordeuren. En over al die hoge heggen, die je het zicht op de huizen ontnemen en die je het gevoel geven in een doolhof te zijn beland. En over al die auto’s. Dat waren er in 1940 maar twee. En waar is het voetbalpleintje gebleven?

Slechts twee bewoners bezaten een auto. De vader van Wim Lassing had er een. “Eén van de eerste Fordjes, die toen in ’t Gooi reden”, aldus Wim. Pa was vertegenwoordiger van de Droste chocoladefabrieken in Haarlem en had het Gooi als rayon. Ook bij de familie Frank, Hendrick de Keyserlaan 8, stond een auto geparkeerd. De vader van Jopie (12 jaar) en Sjaak (6 jaar) handelde in luxeartikelen. Maar het beviel hem niet erg dat zijn auto steeds zo dicht bij het voetbalpleintje stond. Hij plaatste daarom een advertentie in de Gooi en Eemlander: Gezocht een garage “met brede oprit.“ Of hem dat gelukt is weet ik niet.

Na-oorlogs uitzicht vanaf de voortuin van HdK 13 op de sigarenwinkel en de laatste huizen van de Van Leeuwenhoekstraat.

De Hendrick de Keyserlaan was destijds één rechte straat.  En op de t-splitsing met de Van Leeuwenhoekstraat was zoveel ruimte dat alle aspirant-voetbalsterren uit de buurt daar hun talenten naar hartenlust konden ontwikkelen. Ze moesten alleen uitkijken dat de bal niet terecht kwam in de tuin van meneer Knollenburg op Van Leeuwenhoekstraat 117. Dat was een ballenhater, die zo’n bal onmiddellijk lek prikte.

Het zou een bewoner uit 1940 ook meteen opvallen dat alle winkels zijn verdwenen: de delicatessenzaak van Schogt op nr. 6, de winkel in comestibles van Schoen op nr. 5, de tabakswinkel van Wenteler op nr. 12, Bools, de drogist op nr. 19, Kuddus, de banketbakker op nr. 18 en de Albert Heijn op de hoek met de Cornelis Drebbelstraat.

Op het Dr. Cuypersplein waren geen winkels. Wel weer op de Jan van der Heijdenstraat aan de oostkant van het plein: een verfhandel, een textielwinkel, een fourniturenzaak, een bakker en 15 meter noordwaarts, op de hoek met de Johannes Geradtsweg, een apotheek. En daar hield Hilversum dan bijna op. Aan de overkant van de weg, aan de noordkant dus, stond alleen nog de Noorderkerk, een stevige gereformeerde kerk met dito toren. Daarachter strekte de heide zich uit voor zover je kon kijken. De heide was Sperrgebiet, oefen- en opslaggebied van de Wehrmacht.

De woningen in onze straat waren zo royaal gebouwd dat ze ruimte boden voor inwoning. Dat gebeurde in acht van de 25 huizen, die de Hendrick de Keyserlaan telde en wel op de nummers 2, 5, 9, 10, 17, 20, 27 en 29. De bewoners hadden zeer gevarieerde beroepen: musicus (2 x), natuurfilosoof, hoofdopzichter, timmerman, tekenaar, koopman (2x), vertegenwoordiger, commies bij abattoir, monteur, importeur, sigarensorteerder (2x), onderwijzer, laborant, constructeur, magazijnbediende en een wijnhandelaar.

De Duitsers kunnen niet wachten om het NSF-terrein aan de Jan van der Heijdenstraat te bezoeken.

Al kreeg Hilversum een kleine bezettingsmacht, het was toch van groot belang voor de Duitsers. Via de gemuilkorfde radio konden ze heel Nederland vergiftigen met hun geraffineerde nazipropaganda. En met de NSF, de Nederlandse Seintoestellen Fabriek aan de Jan van der Heijdenstraat (500 meter van onze straat) , hadden ze een uiterst belangrijk bedrijf in handen gekregen. De NSF was verreweg de grootste en belangrijkste werkgever van Hilversum. Er werkten aan het begin van de oorlog 1.100 mensen. Dat aantal zou alleen maar groeien. Fabriek en terrein werden zwaar bewaakt door een Duitse Werkschutz van zo’n 150 bewapende Wachmänner. Voor de poort van het NSF-complex stond een wachthuisje met altijd één of twee grimmige Wachmänner. “Linke lui”, volgens Wim Lassing. “Daar moest je beslist geen geintjes mee uithalen. Ze deden alsof ze Fort Knox bewaakten!”

 

Zo vriendelijk als op dit affiche waren de Wachtmänner niet.

Wim had gelijk. De bewakers waren rauwe kerels. In 1944 kon een aantal van hen zo overgeplaatst worden naar werkkampen als Kamp Amersfoort en Kamp Erica bij Ommen, waar ze al snel berucht en gevreesd werden als knuppelaar. Het waren geen goudstaven, die zoveel bewaking nodig maakten, maar heel iets anders waar de Duitsers niet genoeg van konden krijgen: namelijk wapens en munitie. Al sinds 1937 produceerde de NSF ook onderdelen voor vuurwapens en granaten voor munitiefabriek de Hembrug.

De jongens uit onze straat waren bang voor de bewakers van het NSF-terrein.

Sinds de Duitsers de dienst uitmaakten bij de NSF  pleegde het personeel op allerlei manieren heimelijk verzet, waardoor veel vertragingen ontstonden en deadlines vaak niet gehaald werden. Ook op andere manieren zaten de werknemers de Duitsers dwars: er verdwenen af en toe onderdelen. Vooral na een luchtalarm en het personeel een schuilplaats moest zoeken. Een deel ging dan de heide op, verstopte daar de buit om het na werktijd stiekem op te halen. Vooral zenderonderdelen waren favoriet. Daarvan bouwden verzetsmensen een geheime zender om in contact te komen met Londen, de Nederlandse regering.

Het begon op te vallen. Daarom deden de Duitsers af en toe een inval en pakten mensen op. Eén van hen probeerde de ontsnappen, maar werd doodgeschoten. René Paul Wirix heette hij. Een straat in Hilversum-Noord draagt nu zijn naam. Het heimelijke verzet bleef doorgaan. Begin februari 1941 raakte een Duitse officier bij zijn bezoek aan de fabriek zijn revolver kwijt. Hij zijn revolvertas aan een kapstok gehangen. De Duitsers reageerden furieus, dreigden met harde represailles. Het liep met een sisser af nadat de verdwenen revolver ’s nachts teruggegooid werd over de omheining van het terrein, maar een explosieve spanning bleef hangen.

Volgt: 3 – Tienduizend man op de Groest

5: Gierende honger, bijtende kou.

5 mei 2025

Huh?! Wat is hier gebeurd?

Zo zagen de fabriekshallen van de NSF aan de Jan van der Heijdenstraat eruit in de winter 44-45. Kaal en hol. Alle machines en gereedschap waren  geroofd. Een Sonderkommando van de Duitsers was heel grondig te werk gegaan. Alles wat losgewrikt kon worden, werd losgewrikt.

Het was zoveel dat de speciale eenheid de tramlijn, die door de Larenseweg naar Station Hilversum liep voerde, verlegde naar het fabrieksterrein om al die machines gemakkelijker op de trein naar die Heimat te zetten. Geschatte waarde van de buit: 30 miljoen gulden.  De NSF, eens de glanzende oorlogstrofee van de Duitsers, dag en nacht bewaakt door linke Wachtmänner, lag er voor dood bij.

Deel 5 van 5 afleveringen

Er was wel meer weggesleept bij de NSF, door het eigen personeel. Essentieel gereedschap en instrumenten om te verstoppen. Onderdelen om een geheime zender te bouwen voor het verzet. Er was dringend behoefte aan contact met Londen, waar de Nederlandse regering zat.  Techneuten genoeg in Hilversum, maar voor illegaal werk had je ook overtuiging en lef nodig. Lef hadden ze zeker: het groepje mannen dat een geheime zender ging bouwen in hotel Hof van Holland, dat bezet was door de Abwehr. In het theatergedeelte van het sjieke hotel was een geluidsstudio met veel technisch apparatuur. Met medeweten van directeur Spenger werden vandaar berichten naar Londen gestuurd, zo geluidloos mogelijk. Het eindeloze getik van de seinsleutel mocht niet gehoord worden door de Duitsers op de gang. . Maar de hond van Spenger lag waakzaam voor de deur. En die in- en uitlopende Duitsers zagen de verzetsmannen aan voor theaterpersoneel. Zo was er regelmatig contact met Londen, maar de zender werd ontdekt. Maar voor de Duitsers de studio binnen stormden was de seinapparatuur al weggemoffeld en kon de Duitsers worden wijs gemaakt dat ze er alleen maar opnames hadden gemaakt van (de verboden) Radio Oranje.

In de Noorderkerk aan de Geradtsweg floreerde een illegaal ‘winkeltje’.

Waar nu heen met die zender? Schouten, de koster van de Noorderkerk aan de Geradtsweg, bood uitkomst. Hij en zijn gezin zaten al geruime tijd diep in het verzet. Bij hem zaten vaak neergeschoten piloten verscholen en lagen voedselvoorraden voor ondergedoken kinderen en waren veel meer illegale zaken verstopt. De kosterij was ook ‘winkeltje’, een plek waar koeriers hun gevaarlijke spullen konden droppen en/of ophalen. Het hele gezin werkte eraan mee. Schouten had er ook geen probleem mee dat in het topje van de kerktoren de illegale zender weer werd opgebouwd en vanaf die hoogte zijn werk hervatte.

Er was veel te melden vanuit Hilversum. Het wemelde hier van de generaals, vooral op de Trompenberg. Wie waren het? Met wie spraken ze? Waar sliepen ze. Waar stonden die bunkers precies? Waar het afweergeschut? Waar hield de Christiansen zich op? Maar de grootste vraag van alle was natuurlijk: wanneer worden we eindelijk bevrijd. Wanneer begint dat geallieerde eindoffensief? Laat het snel komen, want veel langer houden wij het niet uit onder die moffen. Maar in plaats van bevrijding kwamen er twee sadistische vijanden bij: bijtende kou en wurgende honger.

Geen treinen, geen vervoer, geen voedsel en brandstof.

Op verzoek van Londen waren 30.000 man bij de Nederlandse spoorwegen enthousiast in staking gegaan. Hun werk was er niet leuker op geworden sinds rijdende treinen favoriete doelen waren geworden van de Britse luchtmacht. En bovendien was er een flinke stakingskas. Alle treinen kwamen tot stilstand, behalve dan die vol roofwaar een enkele reis naar Duitsland maakten. Woedend over het succes van de staking blokkeerde de bezetter de aanvoer van voedsel naar het westen. Dat had al het probleem dat er ook geen kolen meer uit Limburg kwamen. Geen kolen: geen elektriciteit, geen licht, geen warmte, geen productie. De benzine raakte snel op, zodat ook het vrachtvervoer tot stilstand kwam. De scholen bleven nog wel open maar konden niet verwarmd worden. Veel kinderen bleven thuis omdat ze te zwak waren. De zes winkels in de Hendrick de Keyserlaan konden alleen maar ‘nee’ verkopen. De planken waren leeg.  Iedereen had vreselijke honger, velen werden ziek.

En daar kwam vijand nummer 2 nog bij: een heel strenge winter.  In een normale winter is het gemiddeld 2,6 graden. Deze winter was het – 3,1 graden. Het voelde nog veel kouder aan omdat bijna iedereen ondervoed was, in een slechte conditie verkeerde. Levensmiddelen waren al sinds het begin van de oorlog op de bon, maar met je bonnen kon je steeds minder kopen. Zonder bonnen was je op de zwarte markt aangewezen.  Daar betaalde je voor een brood van destijds 19 cent, in december 15 gulden en in april 40 gulden. En dan nog was het lastig te vinden. Voedsel en warmte, daar zocht iedereen naar. Er ontstonden hongertochten. Mensen gingen met kostbare spullen op zoek naar boeren die die wilden ruilen voor voedsel.

In de rij voor de gaarkeuken op het marktplein, mei ’45.

In het begin van de oorlog kregen arbeiders in de fabriek vaak een bonloze ‘fabriek-sprak’ om het werk vol te kunnen houden, maar nu lagen alle fabrieken stil en was het gedaan met die bijvoeding. Op het Langgewenst, het Hilversumse marktterrein, had de gemeente al in 1942 een centrale keuken gebouwd, een ‘gaarkeuken’ zoals het ging heten. Er moest al snel een hoog hek met prikkeldraad omheen. In de hongerwinter was bijna heel Hilversum afhankelijk van het eten dat daar werd verstrekt: een waterige stamppot of een dunne soep met op de bodem enkele raadselachtige kruimels. De voedselschaarste was zo groot dat mensen honden, katten, bloembollen en suikerbieten gingen eten.

Er was geen gas, geen brandhout, geen verwarming, geen licht, soms een stompje kaarslicht, vroeg naar bed, warm onder je deken, oren dicht als zware bommenwerpers overvlogen naar Duitse steden. Vooral jonge kinderen, oudjes en onderduikers hadden het zwaar. Wim Lassing (HdK 14) herinnert zich dat bij hen op zolder een broodmagere onbekende oom zat.  Dat vond hij bloedgevaarlijk, omdat schuin tegenover hen NSB’ers woonden en om de hoek Duitsers. De oom Bram zat de hele dag kookboeken te lezen en fantaseerde dan de heerlijkste maaltijden voor zijn gastgezin. Brussels lof met aardappelpuree, harde eieren en mosterdsaus. Na vier maanden vertrok de oom naar elders.

Op zoek naar en beetje eten.

Op zoek naar eten in de omgeving van Nijkerk.

Op 29 december ’44 rinkelden de ruiten ook in onze straat weer eens. Typhoons van de Britse Air Force kwamen uit het zuiden aanstormen en joegen hun raketten en bommen richting Trompenberg. Ze wisten precies waar hun doelen lagen. Verzetsmensen hadden alles verkend en er gedetailleerde kaarten van gemaakt, de zender in de Noorderkerk de laatste details toegevoegd. Maar de bommen en granaten konden de zware bunkers niet stuk krijgen.  De watertoren en de villa’s in de buurt wel. Zeven burgers en één militair kwamen om het leven.! Wat een desillusie! Waren de moffen echt onverslaanbaar? Nee, toch! De bevrijding kwam er toch zo aan?

Eind januari 1945. Vreemd volk stampte binnen in het ‘winkeltje’ van koster Schouten in de Noorderkerk, knooppunt van allerlei illegale diensten. Onderduikers, ondervoede kinderen, stakend treinpersoneel en al dat soort zaken werden hier geregeld. Het bleken SD’ers te zijn die huiszoeking kwamen doen, veel overhoophaalden, adressen zochten, maar geen idee hadden van de zender boven in de kerktoren. Twee dagen later arresteerden ze twee topmannen uit de illegale organisatie: Jan Janssen en Ger van Wetering. Beiden werden afgevoerd naar Amsterdam en later in Zaandam gefusilleerd als represaille voor een daar gepleegde aanslag. Het ‘winkeltje’ in de kerk bleef zwaargewond doorgaan met zijn moedige en edelmoedige zaken.

Er valt voedsel uit de hemel!!

Begin mei 1945. De geruchten bleven maar rondgaan, de ene nog mooier dan de andere. Nu werd rondgefluisterd dat vliegtuigen voedsel gaan uitstrooien boven bezet Nederland. Dit bericht was wel waar. Een kleuterklasje dat in de Noorderkerk bivakkeerde was er getuige van. Boven de heide achter de kerk ontplooiden zich parachutes met kisten vol voedsel eraan. Een goddelijk gezicht. Met het gedropte meel gebeurde wonderen. Er werd heerlijk knapperend witbrood van gebakken. Op de dag voor de broden uitgedeeld zouden worden kon mevrouw Lamme zich niet langer bedwingen en stak haar neus door de brievenbus van bakker Vredenburg, tegenover het Cuypersplein (nu een stoffige ‘kunsthandel’). Het speeksel liep haar uit de mond en de tranen sprongen in haar ogen door de verrukkelijke geur van dat brood.

Generaal Johannes Blaskowitz

Eindelijk kwam het einde, eerst als gerucht maar al snel officieel: Duitsland had op 5 mei gecapituleerd, de oorlog was voorbij. Maar niet voor generaal Blaskowitz, die de plaats van opperbevelhebber Christiansen in de bunker op de Trompenberg had overgenomen. Hij bleef zitten waar hij zat, weigerde naar Wageningen te komen om zijn handtekening onder de overgave te zetten, waarmee hij zijn troepen in het noorden de kans gaf te ontsnappen naar het Reich, waarbij ze nog heel wat ellende in Groningen veroorzaakten. Pas op 6 mei signeerde hij de capitulatie.

Op HdK 3 was radiomaker Jan van Herpen op visite bij collega Rutger Schoute en diens vrouw, toen buiten kabaal losbarstte. Radio Herrijzend Nederland had gemeld dat de Duitsers wilden capituleerden. Iedereen rende de straat op. Er kwam zelfs een goed bewaarde fles Oranjebitter tevoorschijn. En nu praten niet langer gevaarlijk was, ontdekte Van Herpen dat het meisje in het huis van zijn collega een Joodse onderduikster was met vervalste papieren.

In de hele oorlog nog nooit zoveel toegejuicht als in Hilversum.

Op 7 mei denderden Britse infanteristen via de Utrechtseweg Hilversum binnen waar ze uitzinnig werden toegejuicht en begroet.  Ze hadden al heel wat achter de rug, Noorwegen, Zweden, IJsland (waar ze hun bijnaam Polar Bears hadden gekregen), Normandië, le Havre, Arnhem, Den Bosch, Ede, Veenendaal, Utrecht, maar zoveel enthousiasme als hier hadden nog nooit meegemaakt. Het was hun taak humanitaire hulp en voedsel te verstrekken en de Duitsers te ontwapenen. Best riskant. Drie dagen later ging het mis in de omgeving van Soestdijk. Bij het inzamelen van wapens explodeerde een antitankmijn bij een stapel munitie. Een enorme klap. Dertien Britten en twee Duitsers waren op slag dood. Een lichaam kwam honderd meter verder in een weiland terecht. De dertien Polar Bears werden met ceremonieel vertoon in onze buurt begraven, op de Noorderbegraafplaats aan de Snelliuslaan.

De begrafenis van dertien Polar Bears op de Noorderbegraafplaats.

Kort na de Britten kwamen de legendarische Canadezen, die Hilversum weer op de been moesten helpen. Een deel van hen ondergebracht in de Snelliusschool. De leeggeroofde fabriekshallen van de NSF werden volgestouwd met ‘foute’ Nederlanders. De zwaardere gevallen werden in de verlaten Blaskowitzbunker gepropt. Moffenmeiden werden kaalgeschoren. Het lange wachten op familieleden en vrienden en geliefden, die door de nazi’s waren afgevoerd, begon zeer te doen, het hopen steeds wanhopiger. In de ogen van de overlevenden zagen ze eruit als Godenzonen, zo gezond, zo blakend en zo doorvoed. En zo aardig bovendien.

Het duurde wel lang voordat de Canadezen vertrokken.

Ook de Canadezen waren opgelucht dat de oorlog erop zat, maar snel naar huis gaan zat er niet in. Er waren geen schepen genoeg om dat vlot af te handelen. Ze konden zich wel nuttig maken met het herstellen van de oorlogsschade en andere klusjes, maar de dagen gingen steeds langer duren. Sommigen waren nog niet eens home for Christmas.

 Toen Corrie van Zoghel,  nog maar 9 jaar, één van die Canadezen door de Simon Stevinweg zag slenteren, schraapte ze al haar moed bij elkaar, pakte zijn hand en sleepte hem mee naar haar huis, HdK 9, voor een kopje thee. Het liep uit tot een warme vriendschap tussen de Van Zoghels en Pete, zoals zovele in die tijd ontstonden. Tot haar grote verdriet is Corrie het poesiealbum kwijt waarin Pete bij zijn afscheid een lief versje voor haar had geschreven.

De bomen zijn weer terug in onze straat. Iedere maand mei laten ze zien hoe mooi ze bloeien. En hoe kaal het destijds moet zijn geweest in de Hendrick de Keyserlaan.