Weg van Godfried Bomans

De donkere decemberdagen zijn het ideale moment om weg te duiken in een dik boek, dat je al veel eerder had willen lezen, maar waarvoor je pas nu de rust en de ruimte hebt. Vleugellam Godfried Bomans 1913 – 1971 dus, de biografie over één van mijn literaire helden, de eerste schrijver van wie ik ooit, van eigen zakgeld, een boek kocht: Erik of Het klein insectenboek.

Dat moet omstreeks 1953 geweest zijn, toen ik in klas 1 van het lyceum zat. Daar werd ook letterkunde gegeven, van hele oude tot de allernieuwste. Ook Erik kwam er ter sprake, heel bijzondere sprookjesachtige literatuur waar je smakelijk om kon lachen. Buitelende zinnen met bizarre wendingen. Het deed me meteen naar de boekhandel rennen, want Erik was uitgegeven als pocketboek en kostte slechts 1 gulden 25. Geen geld, vond ik. Later heb ik heel wat van die Prisma-pockets gekocht: alles van Bomans, maar ook de complete werken van Charles Dickens en nog veel meer. De pockets waren gedrukt op goedkoop krantenpapier, maar zijn na ruim 72 jaar nog steeds goed leesbaar.

       

De biografie Vleugellam lag al maanden op mij te wachten en ik was er vreselijk nieuwsgierig naar. Ook al omdat ik wel eens met schrijver Gé Vaartjes heb samengewerkt en hem heb leren kennen als een erudiete literator, die mij alles wist te vertellen over de schrijver Herman de Man. Alles over Bomans blijkt een fors boek op te leveren,  een zware pil, van 1.288 gram om precies te zijn. Het boek is 5,5 cm dik, meet 23 x 15 cm en is gedrukt met een niet al grote letter. Het telt 824 pagina’s. Donker december bood me eindelijk de kans om de klus te klaren.

Ik was nog maar op één-tiende van Vleugellam, toen ik het boek moest neer leggen. Op pagina 83 was Godfried Bomans met Betty Straatmans, zijn eerste vriendinnetje, naar de bioscoop geweest, maar was ‘m na afloop gesmeerd en had haar moederziel alleen achtergelaten in de fietsenstalling. Dat vond ik nogal schofterig van Bomans. Maar Gé Vaartjes voegde er vergoelijkend aan toe: ‘In 1946 was er nog even schriftelijk contact tussen hen (..) Beiden waren toen al getrouwd. Betty met de Blaricumse kunstenaar Frits Giltay.’

Godfried Bomans zat moeilijk in elkaar.

Ik vergat meteen mijn verontwaardiging. Giltay? Dat was iets heel bekends. Maar hoe dan? Alle schakeltjes in mijn hoofd begonnen te zoemen. Ik probeerde er een beeld bij op te roepen. Wat was het? Een ding? Of een mens? Een Fransoos, een Engelsman? Groot of klein? Boos of leuk? Bruin, geel, rood? Ja, rood, donkerrood, letters, geverfd, linksonder!  Ja!! Toen wist ik het: de signatuur op het schilderij waarmee ik ben opgegroeid. Dat altijd in onze woonkamer heeft gehangen.

Het vale doosje in mijn hoofd, waarin ik mijn oorlogsherinneringen heb weggestopt, knalde weer open. Meteen stonden de gezichten van mijn ouders weer voor me. Vader opgewonden en trots, moeder sceptisch, laatdunkend, niets voor haar. De tafel lag vol met opengescheurd dun karton, de verpakking van wat vader uit Amsterdam naar huis had gesleept: een nogal fors schilderij. Een stilleven. Officieel Bloemstuk geheten. Met inderdaad linksonder, bijna tegen de imposante lijst aan, zes houterige letters:  G I L T A Y.

Ons schilderij: ‘Bloemstuk’ van Frits Giltay.

Moeder liet duidelijk merken dat ze er niks aan vond. Uitgebloeide bloemen, slaphangende stelen. Zo’n bos bloemen hoorde in de vuilnisbak, vond ze, niet bij ons aan de wand. Juist wel, meende vader, het is kunst van de bovenste plank. Dat werd automatisch steeds meer waard. In De Telegraaf van 31 augustus 1944 stond al een lovende recensie met foto. Giltay is de zoon van ook een kunstschilder en mocht in 1935 de koninklijke subsidie voor jeugdige kunstschilders ontvangen. Hij houdt erg van landschappen, maar de recensent vond zijn stillevens karakteristieker. Vader had het schilderij onmiddellijk gekocht, voordat een ander er mee van door ging.

Vader lostte het probleem op door een paar weken later nog een schilderij te kopen, dat wel in de smaak viel bij moeder: rode papavers met stevige stelen.  Het was net als het eerste kunstwerk voorzien van een indrukwekkende lijst. Ze kwamen voor altijd tegenover elkaar te hangen in onze woonkamer.

Dat leverde later wel problemen op toen vader op een ander adres een sigarenwinkel begon in de voorkamer en de kleine achterkamer onze woonkamer was. Ook daar hingen de twee schilderen tegenover elkaar, maar dikwijls schots en scheef. Het was er zo smal dat je al gauw tegen een van de uitbundige lijsten stootte als je erlangs wilde en het schilderij scheef kwam te hangen. Tot mijn verbazing ging vader akkoord met mijn voorstel om de twee lijsten naar zolder te brengen en om de schilderijen een eenvoudig tengellatje te timmeren. Zo hingen ze tegenwoordig ook in het Stedelijk Museum in Amsterdam, verzekerde ik hem. Als je het maar voorzichtig doet, sprak hij met tegenzin.  En zo waren weer bij de tijd en konden we ons wat makkelijker om de eettafel bewegen.

De lijsten werden teruggeplaatst toen vader zijn zaak van de hand deed en voorgoed elders ruimer ging wonen. De twee schilderijen namen hun oude posities weer in en waren ook getuige toen vader onder het Veldboeket van Giltay zijn laatste adem uitblies. Bij het ontruimen van het huis bleek dat geen van de kinderen interesse had in de twee schilderijen, zelfs niet in één van de twee, zelfs niet in het gesigneerde schilderij. We waren er na al die jaren op uitgekeken. Het was nooit een duur topschilderij geworden. Dus weg ermee.

Korenschoven’. Giltay hield van landschappen.

En nu knalt Frits Giltay plotseling uit het niets omhoog, dat ik in Vleugellam op pagina 83 dicht sla om uit te zoeken of er op Google inmiddels nog te vinden over de kunstschilder. Dat valt niet tegen. Fredericus Johannes Giltay was 37 jaar oud toen vader Bloemstuk kocht, had al faam verzameld en behoorde tot de groep Onafhankelijken, die regelmatig exposeerde in het Stedelijke Museum, Parijs en Amerika. Hij was in 1939 getrouwd met Betty Straatmans bij wie hij vijf kinderen verwekte, het laatste in 1946, een jongen die Godfried werd gedoopt en Goof werd genoemd. Het incident in de fietsenstalling was kennelijk vergeten of vergeven. Een jaar later verhuisde Giltay naar Brugge met een nieuwe liefde: Anne Kuijer met wie hij zeven kinderen kreeg: zes meisjes en één jongen. Hij bleef vooral landschappen en stillevens schilderen. In 1968 werd in het concertgebouw van Brugge een grote expositie van zijn werk gehouden. Twee jaar later stierf hij, 63 jaar oud. Op zijn graf staat een buste van Giltay, gemaakt door beeldhouwer Lamnoye. Een recente bezoeker liet op internet weten: ‘Ik heb hem persoonlijk gekend, een aimabele man. Heb een paar werkjes van hem.’

Het graf van Giltay in het Belgische Brugge

Google diept voor mij ook wat ‘werkjes’ van Giltay op: Heuvelend Landschap, Veldweg in de zomer, Zeilboten in Stadshaven (Honfleur denk ik), Bloemen (met rechte stelen), Boerderij in Blaricum (aquarel), Vaas met bloemen, Korenschoven. En dan, totaal onverwacht, bij een kunstmakelaardij in Oirschot, Bloemstuk, ons Bloemstuk! Zonder lijst maar met alle kleuren, die Giltay heeft gebruikt. Het leeft dus nog steeds! Mijn eerste opwelling is: kopen, net als mijn vader heeft gedaan. Maar dat doe ik natuurlijk niet, ben wel nieuwsgierig naar hoeveel je er nu voor moet betalen. Onzin. Ik weet niet eens hoeveel mijn vader er destijds voor heeft betaald. Een ander mag het hebben.

Gé Vaartjes was ruim 20 jaar bezig met ‘Vleugellam’

Ik pak de vuistdikke Vleugellam weer op en laat me weer meeslepen door die ongelukkige Godfried Bomans, grandioos weer tot leven gebracht door Gé Vaartjes. Hij heeft er ruim twintig jaar over gedaan. Wat een verharding en wat een meesterwerk! En wat een spannend verscholen zijweggetje wees hij aan!

 

Laat een reactie achter

*
Om te voorkomen dat er veel nep reacties worden geplaatst is deze code verplicht
Anti-Spam Image